Daarna begint de toespraak in vers 22 met de woorden: “Israëlitische mannen, luister naar deze woorden.”
Door de eeuwen heen is er veel betekenis gezocht achter die uitdrukking: Israëlitische mannen. Persoonlijk begrijp ik niet goed waarom. Wat had Petrus anders moeten zeggen? “Griekse mannen”? “Egyptische mannen”? Die waren daar helemaal niet aanwezig. Daarom kun je aan deze woorden niet te veel conclusies verbinden. Je kunt er zeker niet uit afleiden dat wat Petrus hier zegt alleen voor Israëlieten bedoeld is en niet voor andere mensen.
Petrus sprak op dat moment nu eenmaal tegen Israëlieten. Bovendien verklaart dat ook zijn woordkeuze. Hij zegt namelijk:
“Israëlitische mannen, luister naar deze woorden: Jezus de Nazarener, een man van God, die onder u bekendgemaakt is door krachten, wonderen en tekenen…”
Of Jezus ook onder andere volken bekend was geworden door wonderen en tekenen, is hier niet het onderwerp. Petrus spreekt de mensen aan die op dat moment voor hem staan. Dat doet Paulus later ook in Athene. Daar sluit hij aan bij wat voor de inwoners van Athene herkenbaar is. Athene stond bekend om zijn filosofie, dus Paulus verwijst daarnaar. In Efeze spreekt men over de verering van Diana, omdat dat daar bekend was.
Dat betekent natuurlijk niet dat de boodschap alleen voor die mensen bedoeld was. Als dat zo was, zou dat ergens anders duidelijk moeten blijken. Dat gebeurt hier niet.
Je kunt je ook afvragen waarom Petrus zegt: “Israëlitische mannen” en niet: “Joodse mannen”. Maar waarschijnlijk zou Petrus zich verbazen als hij onze discussie hierover hoorde. Dat is hetzelfde als wanneer iemand zegt: “Dames en heren.” Dan kun je ook vragen waarom hij niet zegt: “Boeren, burgers en buitenlui.” Uiteindelijk moet je gewoon een aanspreekvorm kiezen. Je hoeft er niet te veel betekenis achter te zoeken.
Petrus weet dat hij Israëlieten aanspreekt. Daarom kan hij verwijzen naar gebeurtenissen die zich de afgelopen jaren, en zelfs de afgelopen weken, onder hen hebben afgespeeld. Ook kan hij ervan uitgaan dat zij de Schriften kennen. Dat doet hij later ook, wanneer hij verwijst naar de Schriften en naar het graf van David.
Als Petrus in Athene had gesproken, had hij niet kunnen zeggen: “Het graf van David is tot op deze dag onder ons.” Dat zou daar geen betekenis hebben gehad.
Met andere woorden: aan de uitdrukking Israëlitische mannen zit niets bijzonders vast. Hooguit laat het zien dat Petrus zich beroept op de beloften die God aan Israël had gegeven. Maar ook die beloften waren niet uitsluitend voor Israël bedoeld, al wordt dat soms wel beweerd.
De eerste beloften aan Abraham, de stamvader van Israël, luidden immers:
“In u en in uw zaad zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden.”
Alle geslachten van de aarde.
Later wordt uitgelegd dat dat “zaad” Christus is, zoals onder andere in Galaten wordt beschreven. Daarom wordt Christus gepredikt aan alle mensen. Daar zit niets exclusiefs in voor Joden of Israëlieten. Dat lees je nergens.
Het bijzondere van Israël is niet dat het een andere boodschap kreeg, maar dat het evangelie het eerst aan Israël werd verkondigd. Dat is het verschil. De inhoud van de boodschap blijft dezelfde.
Israël zou als eerstgeborene een bijzondere plaats innemen en daardoor ook bijzondere zegeningen ontvangen. Als eerste volk dat tot geloof in de Here Jezus zou komen, kon Israël daar bepaalde voorrechten aan ontlenen. Maar de boodschap zelf verandert daardoor niet.
Dat geldt vandaag nog steeds. Of je nu het evangelie vertelt aan een niet-Jood in een Nederlandse plaats of aan een Jood in Amsterdam, de boodschap blijft dezelfde.
Natuurlijk kan het verstandig zijn om rekening te houden met iemands achtergrond, cultuur of leefwereld. Als je weet waar iemand vandaan komt, kun je daar soms op aansluiten. Maar dat lukt niet altijd. Als je voor een zaal met tientallen mensen staat, weet je meestal niet precies wat ieders achtergrond is. Dan kun je daar ook moeilijk allemaal rekening mee houden.
Soms krijg je kritiek omdat iets te direct gezegd wordt. Dan zegt men: “Hij heeft misschien wel gelijk, maar hij zegt het zo duidelijk.” Daarmee bedoelt men vaak dat het anders gebracht had kunnen worden. Maar dat blijft een kwestie van persoonlijke smaak.
Dan keert Petrus terug naar zijn onderwerp:
“Israëlitische mannen, luister naar deze woorden: Jezus de Nazarener…”
De naam Jezus de Nazarener betekent eenvoudigweg: Jezus uit Nazareth. Mensen hadden toen geen achternamen zoals wij die kennen. Daarom werden ze vaak aangeduid met de plaats waar zij vandaan kwamen of waren opgegroeid. Zo wordt Jezus aangeduid als Jezus van Nazareth.
Daarna noemt Petrus Hem:
“een man van God.”
Je zou ook kunnen vertalen: een man Gods. Dat zou zelfs mooi aansluiten bij het Oude Testament. Daar werden profeten vaker zo genoemd. De uitdrukking verwijst naar iemand die namens God spreekt.
Opvallend is dat hier niet staat dat Jezus door de Heilige Geest in Maria verwekt werd. Ook staat er niet: “de Zoon van God”. Petrus noemt Hem hier eenvoudig:
“Jezus van Nazareth, een man van God.”
Dat wil zeggen: een profeet, door God gezonden met een boodschap en een taak van Godswege. Daar zit uiteraard veel meer achter, maar binnen dit gedeelte van Handelingen wordt daar verder niet op ingegaan.
Petrus zegt vervolgens dat God Jezus onder het volk heeft bevestigd door:
“krachten, wonderen en tekenen.”
Daardoor werd zichtbaar dat Hij een man van God was. Niet zijn afkomst staat hier centraal, maar de wonderen die God door Hem deed.
Dat was trouwens ook de gebruikelijke manier waarop profeten in het Oude Testament werden bevestigd. Ook zij verrichtten wonderen en tekenen. Hun wonderen bewezen dat zij door God gezonden waren.
Johannes schrijft hierover ook:
“Jezus dan heeft nog wel vele andere tekenen gedaan in de tegenwoordigheid van zijn discipelen, die niet zijn geschreven in dit boek. Maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft dat Jezus is de Christus, de Zoon Gods, en opdat gij gelovende het leven hebt in Zijn naam.” (Johannes 20:30-31)
De wonderen van Jezus waren dus tekenen van zijn goddelijke zending. Ze moesten laten zien dat Hij door God gezonden was. Net als de tekenen in het Oude Testament wezen zij vooruit naar het werk dat de Messias zou doen. Jezus deed precies die tekenen. Dat maakte duidelijk dat Hij de beloofde Messias was.
Dat is precies waar Petrus nu op uitkomt. Hij zegt eigenlijk: jullie weten dit allemaal. Jullie hebben het zelf gezien. Het gebeurde midden onder jullie.
Dan komt vers 23:
“Deze Jezus, door de bepaalde raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde…”
Met “overgegeven” wordt hier bedoeld dat Hij gevangen genomen werd.
Maar Petrus noemt eerst twee belangrijke zaken: de raad van God en de voorkennis van God.
Dat zijn niet precies dezelfde dingen.
Met de raad van God wordt niet een vrijblijvend advies bedoeld. Het woord heeft meer de betekenis van een officiële uitspraak, zoals een rechterlijke beslissing. Denk bijvoorbeeld aan de naam Hoge Raad. Het gaat om een bindende uitspraak.
Daarom is de uitdrukking bepaalde raad zo belangrijk. Het gaat om een vastgestelde en vastgelegde beslissing van God.
Vaak wordt dit gezien als Gods plan, en dat is op zichzelf waar. Maar het woord is sterker dan alleen een plan. Het heeft een juridische betekenis. Het heeft te maken met recht en wet.
Dat betekent dat er volgens Gods recht een geldige basis bestond voor wat er met Jezus gebeurde: zijn gevangenneming, zijn kruisiging en zijn verlossingswerk.
Dat brengt ons bij een belangrijk principe uit de Bijbel: het losserschap.
De vraag wordt soms gesteld: hoe kan één persoon de straf dragen voor de fouten van anderen? Is dat wel rechtvaardig?
Volgens de Bijbel wel, omdat daarvoor een goddelijke wettelijke basis bestaat. Die gedachte vinden we terug in de wet van Mozes.
Die wet houdt in dat het hoofd van een familie de verantwoordelijkheid van andere familieleden op zich mag nemen. Hij hoeft dat niet te doen, maar hij heeft er wel het recht toe.
Een bekend voorbeeld staat in het boek Ruth.
Naomi en Ruth waren in moeilijke omstandigheden terechtgekomen. Dan verschijnt Boaz in beeld. Naomi wijst erop dat Boaz een goël is, vaak vertaald als losser.
Dat betekent dat hij als familielid het recht had om voor hen op te treden en hun situatie te herstellen. Later blijkt dat er zelfs nog iemand anders was die een sterker recht had dan Boaz. Daardoor zie je dat dit recht overdraagbaar kon zijn.
Soms hoor je zeggen dat de Zoon van God nodig was om de mens van zijn zonden te verlossen. Maar in deze uitleg wordt benadrukt dat de Bijbel spreekt over de Zoon des Mensen. Een mens moest dit werk verrichten.
De mens die de schuld kon dragen moest het hoofd van de menselijke familie zijn, de erfgenaam van Adam. Daarom noemt de Bijbel Jezus zo vaak de Zoon des Mensen.
Als vertegenwoordiger van de mensheid had Hij het recht om als Losser op te treden.
Tegelijk leert de Bijbel ook dat Hij mens werd om dit werk te kunnen doen. Zijn afstamming was daarom van groot belang. Als Hij niet het hoofd van de menselijke familie was geweest, had Hij dat recht niet gehad.
Hieruit volgt dat het verzoeningswerk van Jezus aan het kruis volledig past binnen de raad van God en binnen Gods recht. Het was niet zomaar een idee of een slimme oplossing. Het was volledig in overeenstemming met Gods wet.
Daarnaast spreekt Petrus over Gods voorkennis.
Bij elke strategie speelt voorkennis een rol. Wie zijn tegenstander kent en weet wat die gaat doen, kan daarop inspelen. Volgens deze uitleg heeft God precies dat gedaan.
God wist van tevoren wat zijn tegenstanders zouden doen. Hij wist dat zij Jezus zouden verwerpen en kruisigen. Toch gebruikte Hij juist die gebeurtenissen om zijn eigen plan uit te voeren.
Daarom zegt 1 Korinthe dat de machthebbers van deze wereld Jezus niet gekruisigd zouden hebben als zij hadden geweten dat Hij zou opstaan uit de dood.
Wat zij als een overwinning zagen, werd uiteindelijk hun nederlaag.
Zo komen raad en voorkennis van God samen in dit vers.
Deel 2 – Herschreven
Kortom, wie zich tijdens zijn leven op aarde tegen de Here Jezus uitsprak, kon vergeving ontvangen. Maar wie zich keert tegen de opgewekte Christus, de Messias en Zoon van God, ontvangt geen vergeving.
Met andere woorden: mensen worden uiteindelijk niet veroordeeld vanwege bepaalde zonden die zij hebben gedaan, ook niet vanwege beschuldigingen zoals godslastering of zogenaamde godsmoord, want God kan per definitie niet gedood worden. Volgens deze uitleg wordt een mens veroordeeld vanwege ongeloof.
Dat geldt zowel voor Joden als voor niet-Joden. En als het volk Israël als volk ergens schuld aan draagt, dan is dat niet in de eerste plaats omdat men Jezus heeft gekruisigd, maar omdat men Hem ook na zijn opstanding bleef afwijzen.
Ik denk daarom dat er bij de gebeurtenissen in Handelingen 2 best veel mensen geweest kunnen zijn die eerder hadden geroepen: “Kruisig Hem!”, maar die later alsnog tot geloof kwamen. Dat is niet rechtstreeks te bewijzen, maar het lijkt wel aannemelijk. Het was immers juist de bedoeling dat mensen alsnog tot geloof zouden komen.
Petrus zegt:
“Deze, door de bepaalde raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt gij genomen.”
Dat hebben zij inderdaad gedaan. Dat was hun eigen keuze en verantwoordelijkheid. Natuurlijk was het onderdeel van Gods raad met betrekking tot de verlossing, en God wist van tevoren dat zij Hem zouden verwerpen en kruisigen. Maar dat neemt hun verantwoordelijkheid niet weg.
Je zou alleen anders kunnen redeneren als God Zelf hen ertoe had aangezet om Jezus te kruisigen. Maar dat is niet wat hier geleerd wordt. Zij hebben zelf gehandeld.
Wel heeft God hun handelen gebruikt binnen zijn plan. Hij heeft niet ingegrepen om het tegen te houden, maar heeft het gebruikt om zijn doel te bereiken. Zo werkt een strategie: je gebruikt de acties van je tegenstander om uiteindelijk zelf de overwinning te behalen.
En precies zo gebeurde het hier.
Door de eeuwen heen hebben veel mensen geworsteld met de vraag: als God alles van tevoren weet, ligt alles dan niet al vast? En als alles vastligt, hoe kan de mens dan nog verantwoordelijk zijn?
Dat is een vraag die vaak naar voren komt in discussies over uitverkiezing.
De gedachte is dan: als God van tevoren weet wat er gaat gebeuren, dan moet het wel vaststaan. Maar dat volgt niet automatisch uit elkaar.
God weet wat er gaat gebeuren. Dat is waar. Maar dat betekent nog niet dat Hij heeft bepaald hoe mensen zullen handelen.
Hij wist wat er zou gebeuren en heeft dat vervolgens opgenomen in zijn plan. Dat is iets anders dan mensen dwingen om het zo te doen.
Vanuit menselijk perspectief redeneert men soms anders. Dan zegt men: als God toch al weet of ik tot geloof kom of niet, dan ligt het toch al vast en hoef ik er zelf niets aan te doen.
Maar volgens deze uitleg is dat een verkeerde conclusie.
Sommige mensen leren dat God van tevoren heeft vastgesteld wie wel en niet behouden wordt. Tegelijk roept diezelfde God mensen voortdurend op om zich te bekeren en tot geloof te komen.
De Bijbel zegt immers:
“Wij bidden u van Christus’ wege: laat u met God verzoenen.”
Als iemand dan antwoordt dat dit onmogelijk is omdat God hem eerst zou moeten dwingen, dan ontstaat er volgens deze uitleg een tegenstelling met wat de Bijbel zelf zegt.
Daarom wordt benadrukt dat Gods voorkennis niets afdoet aan de verantwoordelijkheid van de mens.
Het begrip “vrije wil” kan ingewikkeld zijn, maar het belangrijkste punt blijft dat een mens verantwoordelijk is voor zijn eigen keuzes.
Om dit beter te begrijpen moet je onderscheid maken tussen Gods beloften en Gods profetieën.
Dat zijn namelijk niet dezelfde dingen.
Profetieën beschrijven wat er zal gebeuren.
Beloften beschrijven wat God Zelf zal doen.
Dat verschil is belangrijk, want niet alles wat gebeurt, is automatisch iets wat God Zelf doet.
Als voorbeeld wordt de oprichting van de moderne Joodse staat genoemd. Sommige mensen zien dat direct als vervulling van Gods beloften. Volgens deze uitleg ligt dat anders.
Men stelt dat dit wel in overeenstemming is met profetieën, maar niet met de beloften waarin God zegt dat Hij Zelf heel Israël zal verzamelen, alle twaalf stammen, en hen ook zal oordelen. Dat werk moet volgens deze uitleg nog gebeuren.
Daarom wordt gezegd dat vervulling van een profetie niet altijd betekent dat een gebeurtenis ook Gods wil weerspiegelt.
Een eenvoudig voorbeeld maakt dat verschil duidelijk.
Als een weerman zegt dat het morgen gaat regenen en het gaat inderdaad regenen, dan zeg je toch ook niet dat de weerman heeft beloofd dat hij regen zou laten vallen?
Hij heeft alleen voorspeld wat er zou gebeuren.
Daarmee keert de uitleg terug naar Handelingen 2:
“Door de bepaalde raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt gij genomen en door de handen der onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood.”
De verantwoordelijkheid wordt dus zowel bij de mensen gelegd die Hem overleverden als bij degenen die Hem daadwerkelijk kruisigden.
Dan volgt vers 24:
“Welke God opgewekt heeft.”
Dat wordt heel eenvoudig gezegd: God heeft Hem opgewekt.
Opvallend is dat de tekst geen discussie voert over de vraag of zoiets wel mogelijk is. Er staat simpelweg dat God het gedaan heeft.
Eigenlijk kun je je afvragen: wat voor betekenis heeft het woord “God” nog als God geen doden kan opwekken?
De dood is immers het grote probleem van de mensheid. Alles in deze wereld is vergankelijk. Als God daar niets aan zou kunnen veranderen, wat zou zijn betekenis dan nog zijn?
Wie gelooft dat God deze wereld heeft gemaakt, kan ook verwachten dat Hij een nieuwe wereld kan maken.
Daarom ligt voor de hand dat Hij de dood kan overwinnen en leven kan geven.
Dat sluit ook aan bij het onderwijs van Johannes 1.
Daar lezen we dat alle dingen zijn ontstaan door het Woord van God. Vervolgens wordt hetzelfde Woord gepredikt in het evangelie.
Niet alleen de oude schepping kwam voort uit Gods Woord, maar ook de nieuwe schepping.
De boodschap van Johannes 1 kan kort worden samengevat als:
“In het begin was het Woord.”
“Door het Woord zijn alle dingen geworden.”
“En zovelen Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden.”
Het Woord van God geeft leven.
Als God spreekt, brengt Hij leven voort.
Daarom is het logisch dat God ook doden kan opwekken.
De uitspraak:
“God heeft Hem opgewekt”
is daarom net zo eenvoudig en krachtig als Genesis 1:1:
“In den beginne schiep God de hemel en de aarde.”
De Bijbel legt niet uit hoe God dat precies deed. Er wordt eenvoudig gezegd dat Hij het deed.
Zo staat hier ook eenvoudig dat God Jezus heeft opgewekt.
Vervolgens lezen we:
“God heeft Hem opgewekt, de smarten des doods ontbonden hebbende.”
De dood wordt hier voorgesteld als iets dat iemand vasthoudt, alsof het een gevangenis is. Jezus werd eerst gevangengenomen, daarna gekruisigd en uiteindelijk kwam Hij in de dood terecht.
Toen God Hem opwekte, werden die banden van de dood verbroken.
Daarna volgt een belangrijke zin:
“Het was niet mogelijk dat Hij door de dood gehouden zou worden.”
Dat betekent: het was onmogelijk dat de dood Hem blijvend zou vasthouden.
Vaak wordt gezegd dat dit kwam omdat Jezus God was of omdat Hij sterker was dan de dood.
Maar volgens deze uitleg staat dat hier niet.
Jezus was tijdens zijn leven op aarde mens geworden. Hij kwam juist om te sterven. In die zin was Hij niet sterker dan de dood. Anders zou Hij niet gestorven zijn.
Daarom is de vraag niet of Hij sterfelijk was.
Hij is immers werkelijk gestorven.
Juist daarvoor was Hij mens geworden.
De dood had macht over Hem, maar niet voorgoed.
Waarom niet?
Niet omdat Hij sterker was dan de dood, maar omdat God sterker was dan de dood.
Dan blijft nog een andere vraag over:
Waarom heeft God Hem opgewekt?
Volgens de Bijbel droeg Jezus de zonden van de wereld en stierf Hij daarom.
Maar de Schrift leert ook:
“De rechtvaardige zal uit het geloof leven.”
En:
“Het geloof wordt gerekend tot gerechtigheid.”
Jezus droeg weliswaar de zonden van de wereld, maar tegelijkertijd wordt Hij ook voorgesteld als een gelovige.
Omdat Hij geloofde, werd Hij uit de dood opgewekt.
Bovendien had God bijzondere plannen met Hem. Daarom werd Hij als eerste uit de dood opgewekt en ontving Hij het eerstgeboorterecht.
Ook Petrus kende deze volgorde uit de oudtestamentische profetieën.
Eerst zou de Messias lijden.
Daarna zou heerlijkheid volgen.
Omdat eerst het lijden moest komen, moest Hij eerst sterven. En omdat daarna heerlijkheid zou volgen, moest Hij ook weer uit de dood opstaan.
Daarmee komen we terug bij de uitspraak dat de dood Hem niet kon vasthouden.
Waarom niet?
Omdat God van tevoren had gezegd dat Hij zou opstaan.
Dat is volgens deze uitleg het werkelijke antwoord.
Niet de kracht van de dood.
Niet de kracht van Jezus.
Maar het Woord van God.
God had aangekondigd dat de Messias zou opstaan uit de dood. Daarom was het onmogelijk dat dit niet zou gebeuren.
Dat wordt vervolgens onderbouwd met een citaat uit Psalm 16.
De reden dat de dood Hem niet kon vasthouden, is volgens deze uitleg niet dat men hier zijn godheid wil bewijzen, maar dat God al eerder had gesproken en aangekondigd dat de Messias zou opstaan.
Daarom gebeurde het ook.
Een veelgemaakte fout bij Bijbelstudie is dat mensen hun eigen ideeën meenemen naar een tekst en daarin lezen wat zij al denken te weten. Daardoor missen ze soms de eigenlijke boodschap van de Schrift.
Hier geldt hetzelfde.
Wanneer men vooraf al invult dat de opstanding uitsluitend wordt verklaard doordat Jezus God was, dan ziet men volgens deze uitleg niet meer het argument dat Petrus zelf geeft: God had het tevoren aangekondigd, en daarom moest het gebeuren.
Deel 3 – Herschreven
Een goed voorbeeld hiervan is de Hebreeënbrief. Veel mensen lezen die brief alsof hij vooral gaat over het lijden, sterven en de kruisdood van Christus in het verleden. Maar volgens deze uitleg is dat niet het eigenlijke onderwerp van de brief. Zijn lijden en sterven worden wel genoemd, maar ze staan niet centraal.
Het hogepriesterschap van Christus heeft volgens deze uitleg niet te maken met zijn kruisiging, maar met wie Hij is sinds zijn opstanding.
Als je bij elk vers automatisch denkt dat het over het kruis gaat, dan ontdek je nooit wat de brief werkelijk wil zeggen.
Met Handelingen 2 gebeurt volgens deze uitleg hetzelfde. Als je al vooraf denkt: Jezus stond op uit de dood omdat Hij God was, dan mis je wat hier daadwerkelijk wordt uitgelegd. Dan zie je niet meer dat Hij als mens in vernedering leefde, zichzelf vernederde, de gestalte van een dienstknecht aannam en gehoorzaam werd tot de dood, zelfs tot de dood aan het kruis.
Daarom staat er ook dat God Hem vervolgens uitermate verhoogd heeft.
Niet omdat Jezus door eigen kracht opstond, maar omdat Hij zich had onderworpen, gehoorzaam was gebleven en God Hem daarna uit de dood opwekte.
En waarom moest dat gebeuren?
Volgens Petrus is het antwoord eenvoudig: omdat God het vooraf in de Schrift had aangekondigd.
Dat vindt hij het sterkste argument.
Het kon niet anders gebeuren, omdat God het gezegd had. [Studie 12 | Word]
We waren bij Handelingen 2:24:
“God heeft Hem opgewekt, alzo het niet mogelijk was dat Hij door dezelve zou vastgehouden worden.”
Waarom was dat niet mogelijk?
Petrus geeft zelf het antwoord:
“Want David zegt van Hem: Ik zag de Heere altijd voor mij, want Hij is aan mijn rechterhand, opdat ik niet bewogen worde. Daarom is mijn hart verblijd, en mijn tong verheugt zich; ja, ook mijn vlees zal rusten in hope. Want Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten, noch uw Heilige overgeven om verderving te zien. Gij hebt mij de wegen des levens bekendgemaakt; Gij zult mij vervullen met verheuging door uw aangezicht.”
Daarna legt Petrus uit dat deze woorden uit Psalm 16 in de eerste plaats over de Messias gaan en over zijn opstanding uit de dood.
Met andere woorden: God had al van tevoren gezegd dat de Messias zou opstaan. Daarom was het onmogelijk dat Hij in de dood zou blijven.
Dat is volgens Petrus de echte bijbelse verklaring waarom de dood Hem niet kon vasthouden. Niet omdat Hij sterker was dan de dood, maar omdat God had aangekondigd dat Hij zou opstaan. [Studie 12 | Word]
Petrus leest Psalm 16 op een opvallende manier. Hij zegt eigenlijk: David heeft die woorden wel opgeschreven, maar dat betekent nog niet dat hij over zichzelf sprak.
Een schrijver kan immers in de ik-vorm schrijven zonder zichzelf te bedoelen.
Volgens Petrus moeten deze woorden gelezen worden alsof de Here Jezus ze zelf uitspreekt, duizend jaar voordat Hij geboren werd.
Daarom lezen we:
“Ik zag de Heere altijd voor mij.”
Dat betekent niet letterlijk dat Jezus God voortdurend met zijn ogen zag. Het betekent dat Hij zijn vertrouwen volledig op God stelde. Hij verwachtte alles van God, van Gods plan, Gods kracht en Gods beloften.
Daarom wordt de Here Jezus ook voorgesteld als een gelovige.
Dat roept soms de vraag op: waarin geloofde Hij dan?
Niet in zichzelf, maar in God, die Hij zijn hemelse Vader noemde.
Hij verwachtte de vreugde die voor Hem lag. Dat sluit aan bij Hebreeën 12, waar staat dat Hij de loopbaan liep met het oog op de vreugde die Hem was voorgesteld.
Zo leefde Hij vanuit vertrouwen op God. [Studie 12 | Word]
“Want Hij is aan mijn rechterhand.”
Dat betekent dat God bij Hem was, Hem hielp en Hem kracht gaf.
Niet zijn eigen kracht stond centraal, maar de kracht die Hij van God ontving.
Daardoor werd Hij niet God, maar een trouwe dienstknecht van God.
Vervolgens staat er:
“Ook mijn vlees zal rusten in hope.”
Het woord rusten betekent hier sterven. Niet uitrusten, maar ophouden met het werk dat je deed.
Dat is ook de betekenis van Gods rust op de zevende dag. Niet dat Hij moe was, maar dat Hij stopte met dat specifieke werk.
Hier gaat het dus over sterven.
Normaal gesproken lijkt de dood het einde van alle hoop. Maar voor de Here Jezus gold dat niet. Hem was leven beloofd. Hem waren Gods beloften gegeven. Hem was een blijvend koninkrijk beloofd en de troon van David.
Die beloften kende Hij.
Daarom kon zelfs zijn dood beschreven worden als rusten in verwachting. [Studie 12 | Word]
In dit verband wordt ook Psalm 23 genoemd:
“Al ging ik ook door een dal van schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen.”
Daar wordt de dood niet voorgesteld als een eindpunt, maar als een doorgang.
Wanneer iemand door een dal loopt, gaat die persoon er ook weer uit.
Volgens deze uitleg wordt daarmee vooruitgewezen naar de opstanding.
Daarom volgt ook:
“Uw stok en uw staf vertroosten mij.”
De stok en de staf worden hier gezien als beelden van opstanding en nieuw leven.
Volgens deze uitleg stonden zulke aanwijzingen al verborgen in de Schriften, zodat gelovigen ze konden begrijpen, terwijl ongelovigen er eenvoudig overheen zouden lezen. [Studie 12 | Word]
Petrus trekt vervolgens een eenvoudige conclusie.
Psalm 16 kan niet over David zelf gaan.
Waarom niet?
Omdat David gestorven is.
Maar de psalm spreekt over iemand die uit de dood zou opstaan.
Daarom moet de psalm over de Messias gaan.
David sprak als profeet. Door de Heilige Geest sprak hij over zijn Zoon, namelijk de Messias die uit hem zou voortkomen.
Daarom staat er:
“Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten.”
Veel vertalingen geven hier het woord graf, maar volgens deze uitleg gaat het over het dodenrijk, het Hebreeuwse Sheol en het Griekse Hades.
De gedachte is eenvoudig: de Messias zou niet in het dodenrijk achterblijven. Hij zou eruit opstaan.
Dat is precies wat Petrus uit Psalm 16 afleidt. [Studie 12 | Word]
Ook de woorden:
“Gij zult uw Heilige niet overgeven om verderving te zien”
gaan volgens deze uitleg niet over het lichaam van Jezus dat niet ontbonden zou zijn.
De kern van de uitspraak is veel eenvoudiger: Hij bleef niet in de dood. Hij stond eruit op.
Dat is waar de tekst volgens deze uitleg over spreekt. [Studie 12 | Word]
Vervolgens lezen we:
“Gij hebt mij de wegen des levens bekendgemaakt.”
Dat betekent volgens deze uitleg: God liet zien hoe je vanuit de dood tot leven komt.
De dood wordt als het ware voorgesteld als een donkere ruimte waar geen uitweg lijkt te zijn.
Maar God heeft wel een uitweg gemaakt.
Dat is de weg des levens.
Voor de Here Jezus betekende dat opstanding uit de dood.
Voor mensen betekent die weg geloof.
Johannes 1 zegt namelijk dat mensen die Hem aannemen en in zijn naam geloven, kinderen van God worden.
De weg des levens is dus de weg van geloof. Door geloof ontvangt een mens deel aan het leven dat God geeft.
De Here Jezus is volgens deze uitleg als eerste door die deur gegaan.
Dat sluit aan bij Johannes 10, waar Hij zegt dat Hij de deur is.
En ook bij Johannes 14:
“Niemand komt tot de Vader dan door Mij.”
De deur, de weg, de opstanding en het leven wijzen allemaal in dezelfde richting.
Ze spreken over de weg naar nieuw leven.
Daarna volgt:
“Gij zult mij vervullen met verheuging door uw aangezicht.”
Deze woorden worden gezien als woorden van de opgestane Christus.
Hij zou na zijn opstanding voor zijn hemelse Vader verschijnen en vervuld worden met blijdschap.
Daarmee sluiten ook andere Schriftgedeelten aan.
Bijvoorbeeld:
“Gij zijt mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.”
En:
“Zie, Ik kom; in de rol des boeks is van Mij geschreven; Ik heb lust om Uw wil te doen.”
Volgens deze uitleg spreken ook die teksten over Christus na zijn opstanding en over zijn nieuwe positie. [Studie 12 | Word]
Daarna zegt Petrus:
“Mannen broeders, het is geoorloofd vrijuit tot u te spreken van de aartsvader David.”
Nu kan dat openlijk gezegd worden, omdat de opstanding van Christus inmiddels heeft plaatsgevonden.
David is gestorven en begraven. Zijn graf was in de dagen van Petrus nog bekend.
Dus Psalm 16 kan niet over David gaan.
David zag namelijk wel verderving.
Maar de Messias niet.
Daarom zegt Petrus dat David als profeet vooruitzag naar de opstanding van Christus. David wist dat God hem had beloofd dat een nakomeling van hem op zijn troon zou zitten.
Die Messias moest dus uit David voortkomen.
Daarom sprak David in Psalm 16 eigenlijk over Hem. [Studie 12 | Word]
Zo komt Petrus tot zijn conclusie:
“Deze Jezus heeft God opgewekt, waarvan wij allen getuigen zijn.”
Met andere woorden: wij hebben het gezien.
De opstanding is niet alleen een geloofswaarheid, maar volgens Petrus ook een historisch feit waarvoor getuigen bestaan.
Daarom konden de apostelen er met vrijmoedigheid over spreken. [Studie 12 | Word]
Tegelijk geeft Petrus hiermee een belangrijke sleutel voor het lezen van de Psalmen.
Volgens deze uitleg spreken de psalmisten vaak niet in de eerste plaats over zichzelf, maar over de Messias.
Dat maakt de Psalmen in wezen messiaanse psalmen.
Daarmee sluit de studie af.
Vervolgens volgt het dankgebed, waarin God wordt bedankt voor de Here Jezus Christus, die kwam in vernedering, gehoorzaam werd tot de dood, maar nu leeft, aan Gods rechterhand zit en als Verlosser, Messias, Hogepriester en Leidsman zijn volk vertegenwoordigt. Ook wordt God gedankt voor zijn Woord en gebeden dat dit Woord werkzaam zal zijn in het leven van de gelovigen, zodat zij tot eer van God zullen leven.