Categorie: Handelingen

  • Handelingen – Studie 12

    Daarna begint de toespraak in vers 22 met de woorden: “Israëlitische mannen, luister naar deze woorden.”

    Door de eeuwen heen is er veel betekenis gezocht achter die uitdrukking: Israëlitische mannen. Persoonlijk begrijp ik niet goed waarom. Wat had Petrus anders moeten zeggen? “Griekse mannen”? “Egyptische mannen”? Die waren daar helemaal niet aanwezig. Daarom kun je aan deze woorden niet te veel conclusies verbinden. Je kunt er zeker niet uit afleiden dat wat Petrus hier zegt alleen voor Israëlieten bedoeld is en niet voor andere mensen.

    Petrus sprak op dat moment nu eenmaal tegen Israëlieten. Bovendien verklaart dat ook zijn woordkeuze. Hij zegt namelijk:

    “Israëlitische mannen, luister naar deze woorden: Jezus de Nazarener, een man van God, die onder u bekendgemaakt is door krachten, wonderen en tekenen…”

    Of Jezus ook onder andere volken bekend was geworden door wonderen en tekenen, is hier niet het onderwerp. Petrus spreekt de mensen aan die op dat moment voor hem staan. Dat doet Paulus later ook in Athene. Daar sluit hij aan bij wat voor de inwoners van Athene herkenbaar is. Athene stond bekend om zijn filosofie, dus Paulus verwijst daarnaar. In Efeze spreekt men over de verering van Diana, omdat dat daar bekend was.

    Dat betekent natuurlijk niet dat de boodschap alleen voor die mensen bedoeld was. Als dat zo was, zou dat ergens anders duidelijk moeten blijken. Dat gebeurt hier niet.

    Je kunt je ook afvragen waarom Petrus zegt: “Israëlitische mannen” en niet: “Joodse mannen”. Maar waarschijnlijk zou Petrus zich verbazen als hij onze discussie hierover hoorde. Dat is hetzelfde als wanneer iemand zegt: “Dames en heren.” Dan kun je ook vragen waarom hij niet zegt: “Boeren, burgers en buitenlui.” Uiteindelijk moet je gewoon een aanspreekvorm kiezen. Je hoeft er niet te veel betekenis achter te zoeken.

    Petrus weet dat hij Israëlieten aanspreekt. Daarom kan hij verwijzen naar gebeurtenissen die zich de afgelopen jaren, en zelfs de afgelopen weken, onder hen hebben afgespeeld. Ook kan hij ervan uitgaan dat zij de Schriften kennen. Dat doet hij later ook, wanneer hij verwijst naar de Schriften en naar het graf van David.

    Als Petrus in Athene had gesproken, had hij niet kunnen zeggen: “Het graf van David is tot op deze dag onder ons.” Dat zou daar geen betekenis hebben gehad.

    Met andere woorden: aan de uitdrukking Israëlitische mannen zit niets bijzonders vast. Hooguit laat het zien dat Petrus zich beroept op de beloften die God aan Israël had gegeven. Maar ook die beloften waren niet uitsluitend voor Israël bedoeld, al wordt dat soms wel beweerd.

    De eerste beloften aan Abraham, de stamvader van Israël, luidden immers:

    “In u en in uw zaad zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden.”

    Alle geslachten van de aarde.

    Later wordt uitgelegd dat dat “zaad” Christus is, zoals onder andere in Galaten wordt beschreven. Daarom wordt Christus gepredikt aan alle mensen. Daar zit niets exclusiefs in voor Joden of Israëlieten. Dat lees je nergens.

    Het bijzondere van Israël is niet dat het een andere boodschap kreeg, maar dat het evangelie het eerst aan Israël werd verkondigd. Dat is het verschil. De inhoud van de boodschap blijft dezelfde.

    Israël zou als eerstgeborene een bijzondere plaats innemen en daardoor ook bijzondere zegeningen ontvangen. Als eerste volk dat tot geloof in de Here Jezus zou komen, kon Israël daar bepaalde voorrechten aan ontlenen. Maar de boodschap zelf verandert daardoor niet.

    Dat geldt vandaag nog steeds. Of je nu het evangelie vertelt aan een niet-Jood in een Nederlandse plaats of aan een Jood in Amsterdam, de boodschap blijft dezelfde.

    Natuurlijk kan het verstandig zijn om rekening te houden met iemands achtergrond, cultuur of leefwereld. Als je weet waar iemand vandaan komt, kun je daar soms op aansluiten. Maar dat lukt niet altijd. Als je voor een zaal met tientallen mensen staat, weet je meestal niet precies wat ieders achtergrond is. Dan kun je daar ook moeilijk allemaal rekening mee houden.

    Soms krijg je kritiek omdat iets te direct gezegd wordt. Dan zegt men: “Hij heeft misschien wel gelijk, maar hij zegt het zo duidelijk.” Daarmee bedoelt men vaak dat het anders gebracht had kunnen worden. Maar dat blijft een kwestie van persoonlijke smaak.

    Dan keert Petrus terug naar zijn onderwerp:

    “Israëlitische mannen, luister naar deze woorden: Jezus de Nazarener…”

    De naam Jezus de Nazarener betekent eenvoudigweg: Jezus uit Nazareth. Mensen hadden toen geen achternamen zoals wij die kennen. Daarom werden ze vaak aangeduid met de plaats waar zij vandaan kwamen of waren opgegroeid. Zo wordt Jezus aangeduid als Jezus van Nazareth.

    Daarna noemt Petrus Hem:

    “een man van God.”

    Je zou ook kunnen vertalen: een man Gods. Dat zou zelfs mooi aansluiten bij het Oude Testament. Daar werden profeten vaker zo genoemd. De uitdrukking verwijst naar iemand die namens God spreekt.

    Opvallend is dat hier niet staat dat Jezus door de Heilige Geest in Maria verwekt werd. Ook staat er niet: “de Zoon van God”. Petrus noemt Hem hier eenvoudig:

    “Jezus van Nazareth, een man van God.”

    Dat wil zeggen: een profeet, door God gezonden met een boodschap en een taak van Godswege. Daar zit uiteraard veel meer achter, maar binnen dit gedeelte van Handelingen wordt daar verder niet op ingegaan.

    Petrus zegt vervolgens dat God Jezus onder het volk heeft bevestigd door:

    “krachten, wonderen en tekenen.”

    Daardoor werd zichtbaar dat Hij een man van God was. Niet zijn afkomst staat hier centraal, maar de wonderen die God door Hem deed.

    Dat was trouwens ook de gebruikelijke manier waarop profeten in het Oude Testament werden bevestigd. Ook zij verrichtten wonderen en tekenen. Hun wonderen bewezen dat zij door God gezonden waren.

    Johannes schrijft hierover ook:

    “Jezus dan heeft nog wel vele andere tekenen gedaan in de tegenwoordigheid van zijn discipelen, die niet zijn geschreven in dit boek. Maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft dat Jezus is de Christus, de Zoon Gods, en opdat gij gelovende het leven hebt in Zijn naam.” (Johannes 20:30-31)

    De wonderen van Jezus waren dus tekenen van zijn goddelijke zending. Ze moesten laten zien dat Hij door God gezonden was. Net als de tekenen in het Oude Testament wezen zij vooruit naar het werk dat de Messias zou doen. Jezus deed precies die tekenen. Dat maakte duidelijk dat Hij de beloofde Messias was.

    Dat is precies waar Petrus nu op uitkomt. Hij zegt eigenlijk: jullie weten dit allemaal. Jullie hebben het zelf gezien. Het gebeurde midden onder jullie.

    Dan komt vers 23:

    “Deze Jezus, door de bepaalde raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde…”

    Met “overgegeven” wordt hier bedoeld dat Hij gevangen genomen werd.

    Maar Petrus noemt eerst twee belangrijke zaken: de raad van God en de voorkennis van God.

    Dat zijn niet precies dezelfde dingen.

    Met de raad van God wordt niet een vrijblijvend advies bedoeld. Het woord heeft meer de betekenis van een officiële uitspraak, zoals een rechterlijke beslissing. Denk bijvoorbeeld aan de naam Hoge Raad. Het gaat om een bindende uitspraak.

    Daarom is de uitdrukking bepaalde raad zo belangrijk. Het gaat om een vastgestelde en vastgelegde beslissing van God.

    Vaak wordt dit gezien als Gods plan, en dat is op zichzelf waar. Maar het woord is sterker dan alleen een plan. Het heeft een juridische betekenis. Het heeft te maken met recht en wet.

    Dat betekent dat er volgens Gods recht een geldige basis bestond voor wat er met Jezus gebeurde: zijn gevangenneming, zijn kruisiging en zijn verlossingswerk.

    Dat brengt ons bij een belangrijk principe uit de Bijbel: het losserschap.

    De vraag wordt soms gesteld: hoe kan één persoon de straf dragen voor de fouten van anderen? Is dat wel rechtvaardig?

    Volgens de Bijbel wel, omdat daarvoor een goddelijke wettelijke basis bestaat. Die gedachte vinden we terug in de wet van Mozes.

    Die wet houdt in dat het hoofd van een familie de verantwoordelijkheid van andere familieleden op zich mag nemen. Hij hoeft dat niet te doen, maar hij heeft er wel het recht toe.

    Een bekend voorbeeld staat in het boek Ruth.

    Naomi en Ruth waren in moeilijke omstandigheden terechtgekomen. Dan verschijnt Boaz in beeld. Naomi wijst erop dat Boaz een goël is, vaak vertaald als losser.

    Dat betekent dat hij als familielid het recht had om voor hen op te treden en hun situatie te herstellen. Later blijkt dat er zelfs nog iemand anders was die een sterker recht had dan Boaz. Daardoor zie je dat dit recht overdraagbaar kon zijn.

    Soms hoor je zeggen dat de Zoon van God nodig was om de mens van zijn zonden te verlossen. Maar in deze uitleg wordt benadrukt dat de Bijbel spreekt over de Zoon des Mensen. Een mens moest dit werk verrichten.

    De mens die de schuld kon dragen moest het hoofd van de menselijke familie zijn, de erfgenaam van Adam. Daarom noemt de Bijbel Jezus zo vaak de Zoon des Mensen.

    Als vertegenwoordiger van de mensheid had Hij het recht om als Losser op te treden.

    Tegelijk leert de Bijbel ook dat Hij mens werd om dit werk te kunnen doen. Zijn afstamming was daarom van groot belang. Als Hij niet het hoofd van de menselijke familie was geweest, had Hij dat recht niet gehad.

    Hieruit volgt dat het verzoeningswerk van Jezus aan het kruis volledig past binnen de raad van God en binnen Gods recht. Het was niet zomaar een idee of een slimme oplossing. Het was volledig in overeenstemming met Gods wet.

    Daarnaast spreekt Petrus over Gods voorkennis.

    Bij elke strategie speelt voorkennis een rol. Wie zijn tegenstander kent en weet wat die gaat doen, kan daarop inspelen. Volgens deze uitleg heeft God precies dat gedaan.

    God wist van tevoren wat zijn tegenstanders zouden doen. Hij wist dat zij Jezus zouden verwerpen en kruisigen. Toch gebruikte Hij juist die gebeurtenissen om zijn eigen plan uit te voeren.

    Daarom zegt 1 Korinthe dat de machthebbers van deze wereld Jezus niet gekruisigd zouden hebben als zij hadden geweten dat Hij zou opstaan uit de dood.

    Wat zij als een overwinning zagen, werd uiteindelijk hun nederlaag.

    Zo komen raad en voorkennis van God samen in dit vers.

    Deel 2 – Herschreven

    Kortom, wie zich tijdens zijn leven op aarde tegen de Here Jezus uitsprak, kon vergeving ontvangen. Maar wie zich keert tegen de opgewekte Christus, de Messias en Zoon van God, ontvangt geen vergeving.

    Met andere woorden: mensen worden uiteindelijk niet veroordeeld vanwege bepaalde zonden die zij hebben gedaan, ook niet vanwege beschuldigingen zoals godslastering of zogenaamde godsmoord, want God kan per definitie niet gedood worden. Volgens deze uitleg wordt een mens veroordeeld vanwege ongeloof.

    Dat geldt zowel voor Joden als voor niet-Joden. En als het volk Israël als volk ergens schuld aan draagt, dan is dat niet in de eerste plaats omdat men Jezus heeft gekruisigd, maar omdat men Hem ook na zijn opstanding bleef afwijzen.

    Ik denk daarom dat er bij de gebeurtenissen in Handelingen 2 best veel mensen geweest kunnen zijn die eerder hadden geroepen: “Kruisig Hem!”, maar die later alsnog tot geloof kwamen. Dat is niet rechtstreeks te bewijzen, maar het lijkt wel aannemelijk. Het was immers juist de bedoeling dat mensen alsnog tot geloof zouden komen.

    Petrus zegt:

    “Deze, door de bepaalde raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt gij genomen.”

    Dat hebben zij inderdaad gedaan. Dat was hun eigen keuze en verantwoordelijkheid. Natuurlijk was het onderdeel van Gods raad met betrekking tot de verlossing, en God wist van tevoren dat zij Hem zouden verwerpen en kruisigen. Maar dat neemt hun verantwoordelijkheid niet weg.

    Je zou alleen anders kunnen redeneren als God Zelf hen ertoe had aangezet om Jezus te kruisigen. Maar dat is niet wat hier geleerd wordt. Zij hebben zelf gehandeld.

    Wel heeft God hun handelen gebruikt binnen zijn plan. Hij heeft niet ingegrepen om het tegen te houden, maar heeft het gebruikt om zijn doel te bereiken. Zo werkt een strategie: je gebruikt de acties van je tegenstander om uiteindelijk zelf de overwinning te behalen.

    En precies zo gebeurde het hier.

    Door de eeuwen heen hebben veel mensen geworsteld met de vraag: als God alles van tevoren weet, ligt alles dan niet al vast? En als alles vastligt, hoe kan de mens dan nog verantwoordelijk zijn?

    Dat is een vraag die vaak naar voren komt in discussies over uitverkiezing.

    De gedachte is dan: als God van tevoren weet wat er gaat gebeuren, dan moet het wel vaststaan. Maar dat volgt niet automatisch uit elkaar.

    God weet wat er gaat gebeuren. Dat is waar. Maar dat betekent nog niet dat Hij heeft bepaald hoe mensen zullen handelen.

    Hij wist wat er zou gebeuren en heeft dat vervolgens opgenomen in zijn plan. Dat is iets anders dan mensen dwingen om het zo te doen.

    Vanuit menselijk perspectief redeneert men soms anders. Dan zegt men: als God toch al weet of ik tot geloof kom of niet, dan ligt het toch al vast en hoef ik er zelf niets aan te doen.

    Maar volgens deze uitleg is dat een verkeerde conclusie.

    Sommige mensen leren dat God van tevoren heeft vastgesteld wie wel en niet behouden wordt. Tegelijk roept diezelfde God mensen voortdurend op om zich te bekeren en tot geloof te komen.

    De Bijbel zegt immers:

    “Wij bidden u van Christus’ wege: laat u met God verzoenen.”

    Als iemand dan antwoordt dat dit onmogelijk is omdat God hem eerst zou moeten dwingen, dan ontstaat er volgens deze uitleg een tegenstelling met wat de Bijbel zelf zegt.

    Daarom wordt benadrukt dat Gods voorkennis niets afdoet aan de verantwoordelijkheid van de mens.

    Het begrip “vrije wil” kan ingewikkeld zijn, maar het belangrijkste punt blijft dat een mens verantwoordelijk is voor zijn eigen keuzes.

    Om dit beter te begrijpen moet je onderscheid maken tussen Gods beloften en Gods profetieën.

    Dat zijn namelijk niet dezelfde dingen.

    Profetieën beschrijven wat er zal gebeuren.

    Beloften beschrijven wat God Zelf zal doen.

    Dat verschil is belangrijk, want niet alles wat gebeurt, is automatisch iets wat God Zelf doet.

    Als voorbeeld wordt de oprichting van de moderne Joodse staat genoemd. Sommige mensen zien dat direct als vervulling van Gods beloften. Volgens deze uitleg ligt dat anders.

    Men stelt dat dit wel in overeenstemming is met profetieën, maar niet met de beloften waarin God zegt dat Hij Zelf heel Israël zal verzamelen, alle twaalf stammen, en hen ook zal oordelen. Dat werk moet volgens deze uitleg nog gebeuren.

    Daarom wordt gezegd dat vervulling van een profetie niet altijd betekent dat een gebeurtenis ook Gods wil weerspiegelt.

    Een eenvoudig voorbeeld maakt dat verschil duidelijk.

    Als een weerman zegt dat het morgen gaat regenen en het gaat inderdaad regenen, dan zeg je toch ook niet dat de weerman heeft beloofd dat hij regen zou laten vallen?

    Hij heeft alleen voorspeld wat er zou gebeuren.

    Daarmee keert de uitleg terug naar Handelingen 2:

    “Door de bepaalde raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt gij genomen en door de handen der onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood.”

    De verantwoordelijkheid wordt dus zowel bij de mensen gelegd die Hem overleverden als bij degenen die Hem daadwerkelijk kruisigden.

    Dan volgt vers 24:

    “Welke God opgewekt heeft.”

    Dat wordt heel eenvoudig gezegd: God heeft Hem opgewekt.

    Opvallend is dat de tekst geen discussie voert over de vraag of zoiets wel mogelijk is. Er staat simpelweg dat God het gedaan heeft.

    Eigenlijk kun je je afvragen: wat voor betekenis heeft het woord “God” nog als God geen doden kan opwekken?

    De dood is immers het grote probleem van de mensheid. Alles in deze wereld is vergankelijk. Als God daar niets aan zou kunnen veranderen, wat zou zijn betekenis dan nog zijn?

    Wie gelooft dat God deze wereld heeft gemaakt, kan ook verwachten dat Hij een nieuwe wereld kan maken.

    Daarom ligt voor de hand dat Hij de dood kan overwinnen en leven kan geven.

    Dat sluit ook aan bij het onderwijs van Johannes 1.

    Daar lezen we dat alle dingen zijn ontstaan door het Woord van God. Vervolgens wordt hetzelfde Woord gepredikt in het evangelie.

    Niet alleen de oude schepping kwam voort uit Gods Woord, maar ook de nieuwe schepping.

    De boodschap van Johannes 1 kan kort worden samengevat als:

    “In het begin was het Woord.”

    “Door het Woord zijn alle dingen geworden.”

    “En zovelen Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden.”

    Het Woord van God geeft leven.

    Als God spreekt, brengt Hij leven voort.

    Daarom is het logisch dat God ook doden kan opwekken.

    De uitspraak:

    “God heeft Hem opgewekt”

    is daarom net zo eenvoudig en krachtig als Genesis 1:1:

    “In den beginne schiep God de hemel en de aarde.”

    De Bijbel legt niet uit hoe God dat precies deed. Er wordt eenvoudig gezegd dat Hij het deed.

    Zo staat hier ook eenvoudig dat God Jezus heeft opgewekt.

    Vervolgens lezen we:

    “God heeft Hem opgewekt, de smarten des doods ontbonden hebbende.”

    De dood wordt hier voorgesteld als iets dat iemand vasthoudt, alsof het een gevangenis is. Jezus werd eerst gevangengenomen, daarna gekruisigd en uiteindelijk kwam Hij in de dood terecht.

    Toen God Hem opwekte, werden die banden van de dood verbroken.

    Daarna volgt een belangrijke zin:

    “Het was niet mogelijk dat Hij door de dood gehouden zou worden.”

    Dat betekent: het was onmogelijk dat de dood Hem blijvend zou vasthouden.

    Vaak wordt gezegd dat dit kwam omdat Jezus God was of omdat Hij sterker was dan de dood.

    Maar volgens deze uitleg staat dat hier niet.

    Jezus was tijdens zijn leven op aarde mens geworden. Hij kwam juist om te sterven. In die zin was Hij niet sterker dan de dood. Anders zou Hij niet gestorven zijn.

    Daarom is de vraag niet of Hij sterfelijk was.

    Hij is immers werkelijk gestorven.

    Juist daarvoor was Hij mens geworden.

    De dood had macht over Hem, maar niet voorgoed.

    Waarom niet?

    Niet omdat Hij sterker was dan de dood, maar omdat God sterker was dan de dood.

    Dan blijft nog een andere vraag over:

    Waarom heeft God Hem opgewekt?

    Volgens de Bijbel droeg Jezus de zonden van de wereld en stierf Hij daarom.

    Maar de Schrift leert ook:

    “De rechtvaardige zal uit het geloof leven.”

    En:

    “Het geloof wordt gerekend tot gerechtigheid.”

    Jezus droeg weliswaar de zonden van de wereld, maar tegelijkertijd wordt Hij ook voorgesteld als een gelovige.

    Omdat Hij geloofde, werd Hij uit de dood opgewekt.

    Bovendien had God bijzondere plannen met Hem. Daarom werd Hij als eerste uit de dood opgewekt en ontving Hij het eerstgeboorterecht.

    Ook Petrus kende deze volgorde uit de oudtestamentische profetieën.

    Eerst zou de Messias lijden.

    Daarna zou heerlijkheid volgen.

    Omdat eerst het lijden moest komen, moest Hij eerst sterven. En omdat daarna heerlijkheid zou volgen, moest Hij ook weer uit de dood opstaan.

    Daarmee komen we terug bij de uitspraak dat de dood Hem niet kon vasthouden.

    Waarom niet?

    Omdat God van tevoren had gezegd dat Hij zou opstaan.

    Dat is volgens deze uitleg het werkelijke antwoord.

    Niet de kracht van de dood.

    Niet de kracht van Jezus.

    Maar het Woord van God.

    God had aangekondigd dat de Messias zou opstaan uit de dood. Daarom was het onmogelijk dat dit niet zou gebeuren.

    Dat wordt vervolgens onderbouwd met een citaat uit Psalm 16.

    De reden dat de dood Hem niet kon vasthouden, is volgens deze uitleg niet dat men hier zijn godheid wil bewijzen, maar dat God al eerder had gesproken en aangekondigd dat de Messias zou opstaan.

    Daarom gebeurde het ook.

    Een veelgemaakte fout bij Bijbelstudie is dat mensen hun eigen ideeën meenemen naar een tekst en daarin lezen wat zij al denken te weten. Daardoor missen ze soms de eigenlijke boodschap van de Schrift.

    Hier geldt hetzelfde.

    Wanneer men vooraf al invult dat de opstanding uitsluitend wordt verklaard doordat Jezus God was, dan ziet men volgens deze uitleg niet meer het argument dat Petrus zelf geeft: God had het tevoren aangekondigd, en daarom moest het gebeuren.

    Deel 3 – Herschreven

    Een goed voorbeeld hiervan is de Hebreeënbrief. Veel mensen lezen die brief alsof hij vooral gaat over het lijden, sterven en de kruisdood van Christus in het verleden. Maar volgens deze uitleg is dat niet het eigenlijke onderwerp van de brief. Zijn lijden en sterven worden wel genoemd, maar ze staan niet centraal.

    Het hogepriesterschap van Christus heeft volgens deze uitleg niet te maken met zijn kruisiging, maar met wie Hij is sinds zijn opstanding.

    Als je bij elk vers automatisch denkt dat het over het kruis gaat, dan ontdek je nooit wat de brief werkelijk wil zeggen.

    Met Handelingen 2 gebeurt volgens deze uitleg hetzelfde. Als je al vooraf denkt: Jezus stond op uit de dood omdat Hij God was, dan mis je wat hier daadwerkelijk wordt uitgelegd. Dan zie je niet meer dat Hij als mens in vernedering leefde, zichzelf vernederde, de gestalte van een dienstknecht aannam en gehoorzaam werd tot de dood, zelfs tot de dood aan het kruis.

    Daarom staat er ook dat God Hem vervolgens uitermate verhoogd heeft.

    Niet omdat Jezus door eigen kracht opstond, maar omdat Hij zich had onderworpen, gehoorzaam was gebleven en God Hem daarna uit de dood opwekte.

    En waarom moest dat gebeuren?

    Volgens Petrus is het antwoord eenvoudig: omdat God het vooraf in de Schrift had aangekondigd.

    Dat vindt hij het sterkste argument.

    Het kon niet anders gebeuren, omdat God het gezegd had. [Studie 12 | Word]

    We waren bij Handelingen 2:24:

    “God heeft Hem opgewekt, alzo het niet mogelijk was dat Hij door dezelve zou vastgehouden worden.”

    Waarom was dat niet mogelijk?

    Petrus geeft zelf het antwoord:

    “Want David zegt van Hem: Ik zag de Heere altijd voor mij, want Hij is aan mijn rechterhand, opdat ik niet bewogen worde. Daarom is mijn hart verblijd, en mijn tong verheugt zich; ja, ook mijn vlees zal rusten in hope. Want Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten, noch uw Heilige overgeven om verderving te zien. Gij hebt mij de wegen des levens bekendgemaakt; Gij zult mij vervullen met verheuging door uw aangezicht.”

    Daarna legt Petrus uit dat deze woorden uit Psalm 16 in de eerste plaats over de Messias gaan en over zijn opstanding uit de dood.

    Met andere woorden: God had al van tevoren gezegd dat de Messias zou opstaan. Daarom was het onmogelijk dat Hij in de dood zou blijven.

    Dat is volgens Petrus de echte bijbelse verklaring waarom de dood Hem niet kon vasthouden. Niet omdat Hij sterker was dan de dood, maar omdat God had aangekondigd dat Hij zou opstaan. [Studie 12 | Word]

    Petrus leest Psalm 16 op een opvallende manier. Hij zegt eigenlijk: David heeft die woorden wel opgeschreven, maar dat betekent nog niet dat hij over zichzelf sprak.

    Een schrijver kan immers in de ik-vorm schrijven zonder zichzelf te bedoelen.

    Volgens Petrus moeten deze woorden gelezen worden alsof de Here Jezus ze zelf uitspreekt, duizend jaar voordat Hij geboren werd.

    Daarom lezen we:

    “Ik zag de Heere altijd voor mij.”

    Dat betekent niet letterlijk dat Jezus God voortdurend met zijn ogen zag. Het betekent dat Hij zijn vertrouwen volledig op God stelde. Hij verwachtte alles van God, van Gods plan, Gods kracht en Gods beloften.

    Daarom wordt de Here Jezus ook voorgesteld als een gelovige.

    Dat roept soms de vraag op: waarin geloofde Hij dan?

    Niet in zichzelf, maar in God, die Hij zijn hemelse Vader noemde.

    Hij verwachtte de vreugde die voor Hem lag. Dat sluit aan bij Hebreeën 12, waar staat dat Hij de loopbaan liep met het oog op de vreugde die Hem was voorgesteld.

    Zo leefde Hij vanuit vertrouwen op God. [Studie 12 | Word]

    “Want Hij is aan mijn rechterhand.”

    Dat betekent dat God bij Hem was, Hem hielp en Hem kracht gaf.

    Niet zijn eigen kracht stond centraal, maar de kracht die Hij van God ontving.

    Daardoor werd Hij niet God, maar een trouwe dienstknecht van God.

    Vervolgens staat er:

    “Ook mijn vlees zal rusten in hope.”

    Het woord rusten betekent hier sterven. Niet uitrusten, maar ophouden met het werk dat je deed.

    Dat is ook de betekenis van Gods rust op de zevende dag. Niet dat Hij moe was, maar dat Hij stopte met dat specifieke werk.

    Hier gaat het dus over sterven.

    Normaal gesproken lijkt de dood het einde van alle hoop. Maar voor de Here Jezus gold dat niet. Hem was leven beloofd. Hem waren Gods beloften gegeven. Hem was een blijvend koninkrijk beloofd en de troon van David.

    Die beloften kende Hij.

    Daarom kon zelfs zijn dood beschreven worden als rusten in verwachting. [Studie 12 | Word]

    In dit verband wordt ook Psalm 23 genoemd:

    “Al ging ik ook door een dal van schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen.”

    Daar wordt de dood niet voorgesteld als een eindpunt, maar als een doorgang.

    Wanneer iemand door een dal loopt, gaat die persoon er ook weer uit.

    Volgens deze uitleg wordt daarmee vooruitgewezen naar de opstanding.

    Daarom volgt ook:

    “Uw stok en uw staf vertroosten mij.”

    De stok en de staf worden hier gezien als beelden van opstanding en nieuw leven.

    Volgens deze uitleg stonden zulke aanwijzingen al verborgen in de Schriften, zodat gelovigen ze konden begrijpen, terwijl ongelovigen er eenvoudig overheen zouden lezen. [Studie 12 | Word]

    Petrus trekt vervolgens een eenvoudige conclusie.

    Psalm 16 kan niet over David zelf gaan.

    Waarom niet?

    Omdat David gestorven is.

    Maar de psalm spreekt over iemand die uit de dood zou opstaan.

    Daarom moet de psalm over de Messias gaan.

    David sprak als profeet. Door de Heilige Geest sprak hij over zijn Zoon, namelijk de Messias die uit hem zou voortkomen.

    Daarom staat er:

    “Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten.”

    Veel vertalingen geven hier het woord graf, maar volgens deze uitleg gaat het over het dodenrijk, het Hebreeuwse Sheol en het Griekse Hades.

    De gedachte is eenvoudig: de Messias zou niet in het dodenrijk achterblijven. Hij zou eruit opstaan.

    Dat is precies wat Petrus uit Psalm 16 afleidt. [Studie 12 | Word]

    Ook de woorden:

    “Gij zult uw Heilige niet overgeven om verderving te zien”

    gaan volgens deze uitleg niet over het lichaam van Jezus dat niet ontbonden zou zijn.

    De kern van de uitspraak is veel eenvoudiger: Hij bleef niet in de dood. Hij stond eruit op.

    Dat is waar de tekst volgens deze uitleg over spreekt. [Studie 12 | Word]

    Vervolgens lezen we:

    “Gij hebt mij de wegen des levens bekendgemaakt.”

    Dat betekent volgens deze uitleg: God liet zien hoe je vanuit de dood tot leven komt.

    De dood wordt als het ware voorgesteld als een donkere ruimte waar geen uitweg lijkt te zijn.

    Maar God heeft wel een uitweg gemaakt.

    Dat is de weg des levens.

    Voor de Here Jezus betekende dat opstanding uit de dood.

    Voor mensen betekent die weg geloof.

    Johannes 1 zegt namelijk dat mensen die Hem aannemen en in zijn naam geloven, kinderen van God worden.

    De weg des levens is dus de weg van geloof. Door geloof ontvangt een mens deel aan het leven dat God geeft.

    De Here Jezus is volgens deze uitleg als eerste door die deur gegaan.

    Dat sluit aan bij Johannes 10, waar Hij zegt dat Hij de deur is.

    En ook bij Johannes 14:

    “Niemand komt tot de Vader dan door Mij.”

    De deur, de weg, de opstanding en het leven wijzen allemaal in dezelfde richting.

    Ze spreken over de weg naar nieuw leven.

    Daarna volgt:

    “Gij zult mij vervullen met verheuging door uw aangezicht.”

    Deze woorden worden gezien als woorden van de opgestane Christus.

    Hij zou na zijn opstanding voor zijn hemelse Vader verschijnen en vervuld worden met blijdschap.

    Daarmee sluiten ook andere Schriftgedeelten aan.

    Bijvoorbeeld:

    “Gij zijt mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.”

    En:

    “Zie, Ik kom; in de rol des boeks is van Mij geschreven; Ik heb lust om Uw wil te doen.”

    Volgens deze uitleg spreken ook die teksten over Christus na zijn opstanding en over zijn nieuwe positie. [Studie 12 | Word]

    Daarna zegt Petrus:

    “Mannen broeders, het is geoorloofd vrijuit tot u te spreken van de aartsvader David.”

    Nu kan dat openlijk gezegd worden, omdat de opstanding van Christus inmiddels heeft plaatsgevonden.

    David is gestorven en begraven. Zijn graf was in de dagen van Petrus nog bekend.

    Dus Psalm 16 kan niet over David gaan.

    David zag namelijk wel verderving.

    Maar de Messias niet.

    Daarom zegt Petrus dat David als profeet vooruitzag naar de opstanding van Christus. David wist dat God hem had beloofd dat een nakomeling van hem op zijn troon zou zitten.

    Die Messias moest dus uit David voortkomen.

    Daarom sprak David in Psalm 16 eigenlijk over Hem. [Studie 12 | Word]

    Zo komt Petrus tot zijn conclusie:

    “Deze Jezus heeft God opgewekt, waarvan wij allen getuigen zijn.”

    Met andere woorden: wij hebben het gezien.

    De opstanding is niet alleen een geloofswaarheid, maar volgens Petrus ook een historisch feit waarvoor getuigen bestaan.

    Daarom konden de apostelen er met vrijmoedigheid over spreken. [Studie 12 | Word]

    Tegelijk geeft Petrus hiermee een belangrijke sleutel voor het lezen van de Psalmen.

    Volgens deze uitleg spreken de psalmisten vaak niet in de eerste plaats over zichzelf, maar over de Messias.

    Dat maakt de Psalmen in wezen messiaanse psalmen.

    Daarmee sluit de studie af.

    Vervolgens volgt het dankgebed, waarin God wordt bedankt voor de Here Jezus Christus, die kwam in vernedering, gehoorzaam werd tot de dood, maar nu leeft, aan Gods rechterhand zit en als Verlosser, Messias, Hogepriester en Leidsman zijn volk vertegenwoordigt. Ook wordt God gedankt voor zijn Woord en gebeden dat dit Woord werkzaam zal zijn in het leven van de gelovigen, zodat zij tot eer van God zullen leven.

  • Handelingen – Studie 11

    We gaan verder waar we de vorige keer gebleven waren: bij Handelingen 2, in de toespraak van de apostel Petrus. Hij leest daar een gedeelte uit de profeet Joël voor. Dat stuk begint in Handelingen 2 vers 16:

    “Maar dit is het wat gesproken is door de profeet Joël: En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God: Ik zal van mijn Geest uitstorten op alle mensen. Jullie zonen en dochters zullen profeteren, jongeren zullen visioenen zien en ouderen zullen dromen dromen…”

    Petrus legt uit dat de bijzondere dingen die op die Pinksterdag gebeuren, zodat de aanwezigen Gods grote daden horen in hun eigen taal, niet komen doordat de discipelen dronken zijn, zoals sommigen denken. Hij zegt dat dit te maken heeft met wat Joël heeft aangekondigd.

    Maar veel mensen vinden het moeilijk om te begrijpen waarom Petrus juist dit gedeelte uit Joël aanhaalt. Want als je Joël leest, lijkt het vooral te gaan over gebeurtenissen rond de wederkomst van Christus, de dag van de Heer, en de verwoesting van Jeruzalem. Dat zijn dingen die nog niet gebeurd zijn. Hoe kan Petrus dan zeggen: “Dit is wat Joël heeft gesproken”?

    Om dat te begrijpen moeten we eerst iets belangrijks weten: In het Oude Testament wordt bijna nooit duidelijk onderscheid gemaakt tussen de eerste komst van Christus en zijn tweede komst. De profeten zagen de komst van de Messias als één geheel. Pas later, in het Nieuwe Testament, wordt duidelijk dat er een lange periode tussen zit — een periode die in het Oude Testament verborgen was.

    Zelfs Jezus laat dat zien wanneer Hij uit Jesaja leest. Hij stopt midden in een zin en zegt: “Vandaag is dit Schriftwoord vervuld.” Als Hij verder had gelezen, zou het gaan over de dag van Gods oordeel, en dat was toen nog niet aan de orde. Zo zie je dat één profetie soms twee verschillende momenten beschrijft: eerst de komst van Christus, en veel later zijn wederkomst.

    Dat geldt ook voor Joël 2. Joël spreekt over de komst van de Messias, het nieuwe verbond, de uitstorting van de Heilige Geest, en uiteindelijk over de dag van de Heer. Die hele reeks hoort bij de komst van de Messias, maar niet alles gebeurt op één dag. Sommige dingen gebeuren bij zijn eerste komst, andere bij zijn wederkomst.

    Petrus haalt Joël aan omdat de komst van de Messias al begonnen is. Jezus is opgestaan uit de dood, verheerlijkt, en heeft van de Vader de Heilige Geest ontvangen. Dat is precies wat Joël had aangekondigd: God zou zijn Geest uitstorten. Dat begint bij Jezus zelf, en daarna bij iedereen die gelooft.

    Petrus zegt dus niet dat alles uit Joël al vervuld is. Hij zegt: dit is wat Joël bedoelde — dit is het begin van wat hij heeft aangekondigd.

    Joël zegt dat God zijn Geest zal uitstorten op “alle vlees”, dus op alle mensen. Dat betekent dat er een tijd komt waarin iedereen die leeft gelovig zal zijn en de Geest zal ontvangen. Dat gebeurt uiteindelijk wanneer Christus zijn koninkrijk openbaart. Dan blijven alleen gelovigen over; de rest wordt weggenomen, zoals in de dagen van Noach.

    Maar het moet ergens beginnen. En het begint bij Jezus, op de dag van zijn opstanding. Hij is de eerste die de Geest ontvangt. Daarom wordt Hij genoemd: de eerstgeborene uit de doden, de eersteling, het hoofd van de gemeente.

    Vanaf dat moment ontvangt iedereen die gelooft de Heilige Geest. Dat is wat Petrus op Pinksteren zegt: wie gelooft, ontvangt de Geest. Dat is precies wat Joël heeft aangekondigd.

    Johannes legt dat ook uit in Johannes 7:

    “Dit zei Jezus over de Geest, die zij zouden ontvangen die in Hem geloven. Want de Heilige Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was.”

    Pas na Jezus’ opstanding wordt de Geest gegeven. Daarom konden gelovigen in het Oude Testament nog niet wedergeboren worden. Ze moesten wachten op de eersteling: Christus.

    Daarna verzamelt Jezus een gemeente van eerstelingen — mensen die als eersten deel krijgen aan zijn leven. Dat duurt lang, maar dat is precies wat de Bijbel zegt: bij God is één dag als duizend jaar. Petrus noemt dat Gods geduld.

    Wij leven nu in de tijd waarin Christus verborgen is. Hij is in de hemel, wij zijn met Hem verbonden, maar de wereld ziet dat niet. Wij verwachten niet dat Hij nog moet komen, maar dat wij met Hem geopenbaard zullen worden.

    De profetie van Joël loopt door tot aan de wederkomst. Het eerste deel — de komst van de Messias, de uitstorting van de Geest — is al begonnen. Het laatste deel — de tekenen aan de hemel, de dag van de Heer — moet nog komen.

    Joël zegt dat zon en maan verduisterd zullen worden voordat de dag van de Heer begint. Dat is nog niet gebeurd. Dat hoort bij de verwoesting van Jeruzalem aan het einde van de zeventigste week van Daniël. Jezus noemt dat ook in Mattheüs 24: na de grote verdrukking worden zon en maan verduisterd, en dan verschijnt de Zoon des mensen.

    Openbaring 6 beschrijft hetzelfde: een grote aardbeving, verduistering van zon en maan, en dan de dag van Gods oordeel.

    Daarom is het logisch dat Petrus Joël aanhaalt: de profetie gaat over de hele periode van de komst van de Messias — van zijn opstanding tot zijn wederkomst. Het eerste deel is begonnen, het laatste deel komt nog.

    Joël zegt ook dat zonen en dochters zullen profeteren, jongeren visioenen zullen zien en ouderen dromen zullen dromen. Dat gebeurde in de eerste generatie van de kerk. De apostelen waren profeten, en ook anderen profeteerden. Maar zodra de Bijbel compleet was, stopte dat. De profetie had zijn doel bereikt: het fundament was gelegd. Nu bouwt de gemeente verder op dat fundament.

    In de toekomst zullen er nog twee profeten optreden — de twee getuigen uit Openbaring 11 — maar verder is er geen nieuwe profetie nodig. Alles wat God wil zeggen staat al in de Bijbel.

    Joël beschrijft dus de hele nieuwtestamentische tijd: eerst de verborgen periode waarin Christus zijn gemeente verzamelt, daarna de openbaring van zijn koninkrijk, en uiteindelijk de dag van de Heer.

    Petrus zegt: “Dit is wat Joël heeft gesproken.” En dat klopt. De komst van de Messias is begonnen, de Geest is gegeven, en de rest zal volgen.

    Tot zover hebben we gezien dat bepaalde nieuwtestamentische waarheden in het Oude Testament nog verborgen waren. Juist daarom waren er profeten nodig toen de nieuwtestamentische tijd begon. Zij moesten die verborgen dingen bekendmaken en vervullen. Dat is precies wat Paulus zegt, en zelfs Jezus gebruikt diezelfde woorden.

    In Handelingen komen we verschillende profeten tegen: zonen, dochters, mannen en vrouwen. Sommigen worden bij naam genoemd, anderen niet. Maar het idee is duidelijk: in de eerste tijd van de gemeente gebruikte God profeten om zijn nieuwe werk bekend te maken.

    Toch is er iets belangrijks: de Bijbel zegt dat hij compleet is. Er staat zelfs bij dat wie er iets aan toevoegt, vervloekt zal worden. Dat betekent dat er nu geen ruimte meer is voor nieuwe profeten die nieuwe openbaringen brengen. Als iemand zich vandaag profeet noemt, zijn er maar twee mogelijkheden: of hij zegt alleen wat al in de Bijbel staat — dan is hij geen profeet, of hij zegt iets buiten de Bijbel — en dan spreekt de Bijbel een vloek uit.

    Daarom heeft men in onze tijd de betekenis van “profeet” vaak opgerekt, zodat men toch nog iemand profeet kan noemen. Maar eerlijk is dat niet. De Bijbel zelf zegt dat de profetie al in de tijd van de apostelen is gestopt. Dat staat duidelijk in 1 Korinthe 13 en 14. God herhaalt zich niet als alles al gezegd is. Zeker niet in onze tijd, waarin Hij zich verbergt. Onze bedeling wordt juist gekenmerkt door het feit dat de Heer zich terugtrekt en niet zichtbaar ingrijpt.

    In de eerste generatie van de gemeente waren er profeten, dat was logisch. Maar daarna hield het op. Dat is niet moeilijk te begrijpen. In het Oude Testament zie je hetzelfde: na de terugkeer uit de Babylonische ballingschap stuurde God drie profeten — Haggai, Zacharia en Maleachi — en daarna bleef het vierhonderd jaar stil. Pas na de opstanding van Christus begon de nieuwtestamentische tijd, en toen kwamen er weer profeten. Daarom zit er een gat van vier eeuwen in de Bijbelse geschiedenis.

    Johannes de Doper was de laatste grote oudtestamentische profeet. Daarna kwam Jezus, die de nieuwtestamentische profeet is. Maar na de eerste periode van de gemeente stopte de profetie opnieuw.

    Een mooi voorbeeld vind je bij Mozes. Toen hij Israël uit Egypte leidde, stelde hij een raad van zeventig oudsten aan. Dat is een beeld van de gemeente. Toen die oudsten werden aangesteld, profeteerden ze — maar daarna niet meer. Waarom gebeurde dat? En waarom stopte het? In beide gevallen was het profetisch, een uitbeelding van wat God later zou doen. Het had geen praktisch nut, maar het liet zien dat God een groep eerstelingen zou verzamelen, net zoals Mozes een raad van oudsten verzamelde. In het begin werd er geprofeteerd, daarna niet meer. Zo eenvoudig is het.

    Daarom zegt Joël dat zonen en dochters zullen profeteren, dat jongeren visioenen zullen zien en ouderen dromen zullen dromen. Dat gebeurde in de eerste tijd van de gemeente. En dromen in het Oude Testament hebben vaak te maken met onze huidige bedeling: je ziet iets echt, maar anderen zien het niet. Het gebeurt verborgen, niet openbaar. Dat past precies bij de tijd waarin Christus verborgen is.

    Profetie kwam soms in dromen, zoals bij Jozef. Dromen gaan vaak over Gods werk in een tijd waarin dingen nog niet zichtbaar zijn voor de wereld. Paulus had ook dromen waarin de Heer hem de weg wees.

    Joël zegt dat God zijn Geest zal uitstorten op dienstknechten en dienstmaagden. Dat betekent dat iedereen die de Heer dient — man of vrouw — door Hem gebruikt kan worden. In de eerste tijd van de gemeente gebeurde dat door profetie. Maar nu gebeurt het door het Woord dat we al hebben. De apostelen en profeten hebben het fundament gelegd. Dat fundament ligt er. Je kunt er niet nog een fundament bij leggen. Je kunt alleen verder bouwen.

    Daarom geeft God nu geen profeten meer. Wat wij hebben zijn evangelisten, herders en leraars. Zij verkondigen en onderwijzen het Woord dat al gegeven is. Iemand die de Bijbel uitlegt, is geen profeet; hij bouwt op het fundament dat al gelegd is.

    De vraag is dan: komen er in de toekomst, na de opname van de gemeente, weer profeten? In het algemeen denk ik van niet. Waarom zou dat nodig zijn? De Bijbel is compleet. Alles wat men moet weten voor die tijd staat er al in. Toch zijn er twee uitzonderingen: de twee getuigen uit Zacharia 4 en Openbaring 11. Zij zijn profeten en zullen in de toekomst optreden. Maar verder kom ik geen nieuwe profeten tegen.

    Daarom denk ik dat Joël 2:18 vooral gaat over de eerste tijd van de gemeente, zoals we die in Handelingen zien.

    Dan gaat Joël verder: God zal wonderen geven in de hemel en tekenen op aarde — bloed, vuur en rook. De zon zal verduisterd worden en de maan zal als bloed worden. Dat is nog niet gebeurd. Soms zien we bijzondere natuurverschijnselen, maar wat Joël beschrijft is veel groter: de verduistering van zon, maan en sterren. Dat wordt in Joël meerdere keren genoemd en ook in andere profetieën. Het is een belangrijk herkenningspunt in de profetische tijdlijn.

    Die verduistering hoort bij het einde van de zeventigste week van Daniël, bij de verwoesting van Jeruzalem en de grote aardbeving die daarbij hoort. Dat is nog toekomst. Daarom ligt de onderbreking in de vervulling van Joël tussen vers 18 en 19. Het eerste deel is vervuld, het tweede deel nog niet.

    Veel mensen denken in termen van “bedelingen”, alsof alles strikt gescheiden is. Maar zo werkt het niet. Het is één voortgaande ontwikkeling. Eerst wordt de gemeente verzameld, daarna gaat God verder met Israël, daarna komt de bekering van het Joodse volk, en zo loopt de profetie door.

    Joël zegt dat de zon verduisterd wordt voordat de grote dag van de Heer komt. Die dag begint bij de komst van Christus op de Olijfberg. Dat wordt in veel profetieën genoemd. Jesaja, Joël, Zacharia, en ook Openbaring 6 spreken over verduistering van zon, maan en sterren. Dat markeert het einde van de zeventigste week van Daniël.

    In Mattheüs 24 zegt Jezus hetzelfde: na de grote verdrukking worden zon en maan verduisterd, de sterren vallen, en dan verschijnt de Zoon des mensen. Daarna worden de geslachten van Israël verzameld. Dat is de periode van de dag van de Heer: eerst oordeel over Israël, daarna over de volken.

    Openbaring 6 beschrijft dezelfde gebeurtenissen: aardbeving, verduistering, sterren die hun glans verliezen. Daarna staat er: “De grote dag van zijn toorn is gekomen.” Dat is de dag van de Heer.

    De eerste zegels in Openbaring 6 beschrijven de gebeurtenissen in de zeventigste week: vrede, oorlog, honger, dood. Daarna komt de aardbeving en de verduistering. Dat is het einde van de week.

    Daarom zegt Handelingen 2 dat Joël wordt aangehaald, maar dat de laatste verzen nog niet vervuld zijn. Ze horen bij de toekomst, tot aan het einde van de zeventigste week. Dan verschijnt de erfgenaam van de troon van David, reinigt het land, herbouwt Jeruzalem en vestigt zijn koninkrijk over de hele wereld.

    Maar wat nu gebeurt — de uitstorting van de Geest, het ontstaan van de gemeente — is wel degelijk wat Joël heeft gesproken.

    Samenvatting

    • Petrus haalt op de Pinksterdag een profetie uit Joël aan. Veel mensen vinden dat vreemd, omdat Joël ook spreekt over gebeurtenissen die nog niet gebeurd zijn, zoals de dag van de Heer en de verwoesting van Jeruzalem. Maar Petrus bedoelt dat de komst van de Messias — waar Joël over spreekt — al begonnen is.
    • In het Oude Testament wordt de eerste en tweede komst van Christus niet duidelijk onderscheiden. Joël beschrijft de hele periode van de komst van de Messias: eerst zijn opstanding en de uitstorting van de Geest, daarna de tijd waarin de gemeente wordt verzameld, en uiteindelijk zijn wederkomst en het oordeel.
    • Jezus ontving als eerste de Heilige Geest bij zijn opstanding. Vanaf dat moment ontvangt iedereen die gelooft de Geest. Dat is het begin van de vervulling van Joël. De tekenen aan de hemel en de dag van de Heer moeten nog komen.
    • De profetie van Joël loopt dus door tot aan de wederkomst. Petrus zegt terecht: “Dit is wat Joël heeft gesproken.” Het eerste deel is vervuld, het laatste deel komt nog.
    • Joël voorspelt dat God zijn Geest zal uitstorten, dat mensen zullen profeteren, dromen en visioenen zullen zien. Dat gebeurde in de eerste tijd van de gemeente, omdat nieuwtestamentische waarheden toen nog verborgen waren. Profeten waren nodig om die bekend te maken. Maar zodra de Bijbel compleet was, stopte de profetie. Nu bouwt de gemeente op het fundament dat de apostelen en profeten hebben gelegd.
    • Joël spreekt ook over grote tekenen: verduistering van zon, maan en sterren. Dat is nog niet gebeurd. Die gebeurtenissen horen bij het einde van de zeventigste week van Daniël, bij de verwoesting van Jeruzalem en de komst van Christus op de Olijfberg. Dat markeert het begin van de dag van de Heer, waarin God eerst Israël en daarna de volken oordeelt.
    • Daarom is een deel van Joël al vervuld, en een deel nog niet. Petrus haalt Joël terecht aan: de komst van de Messias is begonnen, de Geest is gegeven, en de rest zal volgen.

  • Handelingen – Studie 3

    We kijken opnieuw naar Handelingen hoofdstuk 1. We hebben stilgestaan bij de belofte van de Heilige Geest. Jezus verwijst in vers 4 naar een oude belofte: dat de discipelen binnenkort zouden worden gedoopt met de Heilige Geest. Maar er is een vraag die eigenlijk onder deze hele uitleg ligt, en daar hebben we nog niet bij stilgestaan. Die vraag staat in vers 6, en het eerste deel van het antwoord in vers 7. Dat vormt de achtergrond van alles wat Jezus hier zegt.

    Als je Handelingen 1 leest, zie je dat vers 4 en 5 over de Heilige Geest gaan, en vers 8 ook. Maar vers 6 en 7 zitten er tussen als een soort uitleg tussendoor. De discipelen vragen namelijk: “Heer, zult U in deze tijd het koninkrijk voor Israël herstellen?” En Jezus antwoordt: “Het komt jullie niet toe de tijden of momenten te weten die de Vader in zijn eigen macht heeft gesteld.”

    Deze tekst wordt vaak los van de context gebruikt, bijvoorbeeld om te zeggen dat we de wederkomst van Christus niet kunnen weten, of de opname van de gemeente. Maar daar gaat het hier helemaal niet over. Het gaat hier specifiek over de vraag: zal God nu het koninkrijk voor Israël herstellen?

    Jezus geeft geen direct antwoord. Dat kan eigenlijk ook niet, want de vraag is te simpel gesteld. Wij weten dat het antwoord niet alleen met tijd te maken heeft. Volgens het Oude Testament komt het koninkrijk voor Israël namelijk pas wanneer het volk tot geloof komt en de naam van de Heer aanroept. God zal een nieuw verbond met Israël sluiten en het koninkrijk herstellen, maar dat gebeurt alleen als het volk zich bekeert.

    De Bijbel zegt ook dat Israël uiteindelijk wél tot geloof zal komen. Dus het koninkrijk komt zeker, maar niet wanneer. De vraag “zal het nu gebeuren?” kun je dus ook anders stellen: “zal Israël nu tot bekering komen?” Dat maakt de vraag veel ingewikkelder.

    De discipelen hadden bovendien de taak om het evangelie te prediken aan het Joodse volk, vooral in Jeruzalem. Petrus doet dat meteen in Handelingen 2. Hij leest uit Joël 2 en eindigt met: “Ieder die de naam van de Heer aanroept, zalig zal worden.” Dat is precies waar het om draait: Israël moet de naam van de Heer aanroepen.

    Als je Joël 2 vers 32 opzoekt, zie je dat Petrus halverwege stopt. Het vers gaat verder: “Want op de berg Sion en in Jeruzalem zal ontkoming zijn, zoals de Heer gezegd heeft, bij het overblijfsel dat de Heer zal roepen.” Dat overblijfsel is het gelovige deel van Israël.

    Wanneer zal Israël de naam van de Heer aanroepen? De Bijbel zegt: in de grote verdrukking. Daniël 12:1 zegt dat er een tijd van ongekende nood zal zijn, en dat Israël dan verlost zal worden. Dat is de tweede helft van de zeventigste week van Daniël, de laatste 3,5 jaar.

    Aan het einde daarvan zal Israël in Jeruzalem de naam van de Heer aanroepen. Joël zegt dat daar ontkoming zal zijn. Zacharia 14 zegt dat de Heer dan zijn voeten zal zetten op de Olijfberg. Dat sluit precies aan bij Handelingen 1, waar de engelen zeggen dat Jezus op dezelfde manier zal terugkomen als Hij is weggegaan.

    Zacharia 13 legt uit waarom dat gebeurt: God zal het volk louteren. De ongelovigen verdwijnen, de gelovigen blijven over. Dat gelovige overblijfsel zal Gods naam aanroepen. God antwoordt dan: “Het is mijn volk.” En het volk zal zeggen: “De Heer is mijn God.” Dat is de officiële bekering van Israël.

    Daarom komt het koninkrijk pas wanneer Israël als volk de naam van de Heer aanroept. Niet wanneer een paar Joden dat doen, maar wanneer de officiële vertegenwoordiger van het volk dat doet. In de Bijbel zie je dat dit vaker gebeurt: Daniël doet belijdenis namens het hele volk, en Salomo doet dat bij de inwijding van de tempel. Zij waren de hoogste vertegenwoordigers van Israël.

    In de toekomst zal dus een officiële leider van Israël – wie dat ook is – namens het volk belijdenis doen en de naam van de Heer aanroepen. Dan zal Jezus terugkomen. Dan zijn de zeventig weken vervuld.

    Waarom mochten de discipelen dat niet weten? Omdat het afhing van de vraag of Israël in hun tijd tot geloof zou komen. Als Jezus had gezegd: “Nee, niet in jullie tijd,” dan zouden ze ontmoedigd zijn. Als Hij had gezegd: “Ja, wel in jullie tijd,” dan zouden ze misschien denken dat het vanzelf wel goed zou komen. Daarom zegt Jezus: “Het komt jullie niet toe dit te weten.”

    Later, in 1 Thessalonicenzen 5, schrijft Paulus dat de gelovigen wél mogen weten hoe het zit met tijden en gelegenheden. Maar in Handelingen 1 was dat nog niet aan de orde.

    De vraag van de discipelen kan dus niet simpel met ja of nee worden beantwoord. Jezus zou een koninkrijk oprichten, maar niet op dat moment, en niet zichtbaar. Hij zegt tegen Pilatus: “Mijn koninkrijk is niet van deze wereld… maar nu is mijn koninkrijk niet van hier.” Dat betekent: Hij heeft wel een koninkrijk, maar het is nu nog in de hemel. Later zal het op aarde zijn.

    Lucas 17 zegt hetzelfde: het koninkrijk komt, maar niet zichtbaar. Je kunt niet zeggen: “Kijk, daar is het!” Want het koninkrijk is binnen in de gelovigen. Het is er dus wel, maar verborgen.

    Handelingen 3 laat zien dat het koninkrijk pas openbaar wordt wanneer Israël zich bekeert. Petrus zegt: “Bekeer u… opdat tijden van verkwikking komen van het aangezicht van de Heer, en Hij Jezus Christus zal zenden.” De hemel moet Jezus ontvangen tot het moment dat alles wordt hersteld zoals de profeten hebben gezegd.

    Dat gebeurt pas na de officiële bekering van Israël. En dat zal pas zijn na de grote verdrukking. Daarom gebeurt het vandaag niet. Zolang de gemeente op aarde is, komt Israël niet tot geloof. Dat staat onder andere in 2 Thessalonicenzen 2.

    Laten we teruggaan naar Handelingen 1. De discipelen vragen: “Heer, zult U in deze tijd het koninkrijk voor Israël herstellen?” Die vraag kan op allerlei manieren worden opgevat. Misschien bedoelen ze het koninkrijk voor de tien stammen van Israël, of juist voor Juda, of voor Jozef. Er zijn veel mogelijke antwoorden, maar Jezus gaat daar niet op in. Hij zegt eigenlijk: voor jullie persoonlijk maakt het nu niet uit. Wat jullie moeten doen, blijft hetzelfde, ongeacht of Israël tot geloof komt of niet. Jullie taak is om te prediken: “Gij zult mijn getuigen zijn.”

    Dat staat in vers 8, en daar waren we de vorige keer gebleven. Ze zouden getuigen zijn in Jeruzalem, in Judea (waar Jeruzalem de hoofdstad van was), en in Samaria. Samaria was zowel een stad als een gebied, net zoals “stad en ommeland”. Jeruzalem was de hoofdstad van het tweestammenrijk, Samaria van het tienstammenrijk. Volgens het Oude Testament zouden eerst de twee stammen tot geloof komen, daarna de tien stammen. Daarom moest het evangelie eerst naar Jeruzalem en Judea, daarna naar Samaria, en vervolgens naar de heidenen — tot aan het uiterste van de aarde.

    Zo begon onze huidige tijd, de “bedeling van de verborgenheid” uit Efeze 3. De discipelen moesten in Jeruzalem blijven, want daar begon hun opdracht. Later, in Handelingen 8, komt het evangelie inderdaad in Samaria, en ontstaat daar een gemeente. Daarna breidt het zich uit naar de heidenen.

    In de toekomst zal het precies hetzelfde gaan. Wanneer Israël tijdens de grote verdrukking tot bekering komt en Jezus het koninkrijk aan Israël opricht, begint dat opnieuw in Jeruzalem, dan Judea, dan Samaria, en daarna naar alle volkeren. Openbaring 7 noemt 144.000 getuigen uit Israël die het evangelie wereldwijd zullen brengen. De volgorde blijft dus hetzelfde.

    De vraag “Zult U nu het koninkrijk oprichten?” maakt voor hun taak geen verschil. Of het nu wel of niet gebeurt: ze moeten getuigen zijn, en dat door de kracht van de Heilige Geest. Dat zal in de toekomst opnieuw zo zijn.

    In Handelingen 2 citeert Petrus Joël 2. Sommigen vragen zich af of Petrus wel begreep waar Joël over sprak, want Joël gaat over de komst van het koninkrijk. Maar het maakt eigenlijk geen verschil: “Al wie de naam van de Heer aanroept, zal behouden worden.” Dat gold toen, en dat zal straks weer gelden. In Handelingen 2 was er ontkoming in Jeruzalem voor iedereen die geloofde, net zoals Joël zegt dat er ontkoming zal zijn voor het gelovige overblijfsel.

    Ik heb zelf de indruk — hoe vaker ik Handelingen lees — dat de discipelen al vermoedden dat het koninkrijk in hun tijd niet zou komen. Ze vroegen Jezus eigenlijk om bevestiging. Zijn ontwijkende antwoord maakte waarschijnlijk veel duidelijk.

    Jezus zegt dat ze getuigen zullen zijn in drie stappen: Jeruzalem, Judea, Samaria, en dan de heidenen. Dat is dezelfde volgorde waarin het koninkrijk zich in de toekomst zal uitbreiden: eerst in de hemel, dan in Jeruzalem, en van daaruit over de hele aarde.

    Vanaf vers 9 gebeurt iets belangrijks. Jezus wordt opgenomen in de hemel. De discipelen zien het gebeuren, en twee mannen in witte kleding zeggen: “Deze Jezus zal op dezelfde manier terugkomen als jullie Hem hebben zien gaan.” Daarna gaan de discipelen terug naar Jeruzalem, vanaf de Olijfberg.

    De Olijfberg is belangrijk. Lucas 24 vertelt dat Jezus hen naar Bethanië leidde — dat ligt bovenop de Olijfberg — en daar werd Hij opgenomen. Dat sluit aan bij Zacharia 14: “Zijn voeten zullen op de Olijfberg staan.” In Handelingen 1 verdwijnt Jezus daar, en in de toekomst zal Hij daar weer verschijnen.

    De Olijfberg komt vaker voor in de Bijbel. David ging huilend de Olijfberg op toen hij uit Jeruzalem vluchtte (2 Samuël 15:30). Dat lijkt op wat er met Jezus gebeurt: Hij verlaat Jeruzalem, gaat naar de Olijfberg, en verdwijnt. Tijdens de dagen voor Zijn kruisiging kwam Hij ook steeds via de Olijfberg naar Jeruzalem, maar elke avond ging Hij weer terug naar Bethanië. Hij wilde als het ware niet in Jeruzalem blijven.

    Ezechiël 11 vertelt dat de “heerlijkheid van de Heer” uit Jeruzalem vertrok en ging staan op de berg ten oosten van de stad — de Olijfberg. Dat beeld laat zien dat Gods aanwezigheid zich terugtrekt uit Israël. De Olijfberg wordt zo een symbool van de tijd waarin het koninkrijk niet in Israël is, maar buiten Israël — onze huidige tijd.

    De Olijfberg staat dus voor de bedeling van nu: het koninkrijk van Christus is niet zichtbaar in Israël, maar verborgen, en aanwezig onder de gelovigen uit de volken. De Olijfberg ligt “voor Jeruzalem”, zegt Zacharia 14, en pas later zal het koninkrijk vanuit de Olijfberg terugkeren naar Jeruzalem.

    Er zijn nog meer beelden. De vijgenboom die Jezus vervloekt, staat voor Israël dat geen vrucht draagt. De Olijfberg, waar dat gebeurde, staat voor het koninkrijk dat nu onder de heidenen is. Jezus zegt dat je tegen “deze berg” zou kunnen zeggen dat hij in de zee geworpen moet worden. De zee is in de Bijbel een beeld van de volken. De Olijfberg “in de zee” betekent: het koninkrijk bevindt zich nu onder de heidenen.

    Bethanië betekent “mijn huis”. Dat past bij de gemeente, want wij zijn het huis van Christus. Lazarus, die daar woonde, is een beeld van Christus als hogepriester van het nieuwe verbond. Maria en Martha zijn beelden van twee soorten gelovigen: Martha staat voor leven onder de wet, Maria voor leven onder genade.

    De ezel waarop Jezus reed is een beeld van de gemeente. De discipelen legden hun kleren op de ezel — een beeld dat de gemeente bekleed is met wat de discipelen (de apostelen) hebben gegeven. De ezel is ook een beeld van het gelovige overblijfsel van Israël: een dier dat de last niet graag draagt, dat de weg goed kent, dat goed hoort, en dat — zoals bij Bileam — zelfs kan spreken. En wat roept een ezel? De naam van de Heer.

    Simson versloeg Filistijnen met een ezelskaak. Dat is een beeld van het woord van het gelovige overblijfsel.

    Zo wordt de Olijfberg steeds opnieuw een beeld van onze huidige tijd. De geschiedenis van Jezus’ komst brak af op de Olijfberg, en zal daar in de toekomst worden hervat. Daarom is dit moment in Handelingen 1 niet alleen een teken van Zijn hemelvaart, maar ook een teken van Zijn wederkomst. De engelen zeggen het zelf: “Deze Jezus zal op dezelfde manier terugkomen.”

    Natuurlijk Jan — hier is jouw samengevoegde samenvatting, nu netjes opgedeeld in bulletpoints zoals je vroeg.

    Samenvatting

    • In Handelingen 1 vragen de discipelen of Jezus nu het koninkrijk voor Israël zal herstellen.
    • Jezus geeft geen direct antwoord en zegt dat zij de tijden niet mogen weten.
    • Het koninkrijk komt pas wanneer Israël als volk tot geloof komt en de naam van de Heer aanroept.
    • Het Oude Testament laat zien dat dit gebeurt aan het einde van de grote verdrukking.
    • Dan zal een officiële leider van Israël namens het hele volk belijdenis doen.
    • Op dat moment zal Jezus terugkomen, Zijn voeten op de Olijfberg zetten en het koninkrijk oprichten.
    • Tot die tijd is Zijn koninkrijk verborgen, niet zichtbaar, en in de hemel.
    • De discipelen mochten dit nog niet weten, zodat ze hun taak konden uitvoeren zonder ontmoedigd of gemakzuchtig te worden.
    • Hun opdracht bleef: het evangelie prediken in Jeruzalem, Judea, Samaria en daarna aan alle volken.
    • Deze volgorde is dezelfde waarin het koninkrijk zich in de toekomst zal uitbreiden.
    • Jezus wordt opgenomen vanaf de Olijfberg, een plaats die in de Bijbel symbool staat voor de periode waarin het koninkrijk buiten Israël ligt.
    • De Olijfberg is ook de plaats waar Jezus in de toekomst zal terugkomen.
    • Beelden zoals Bethanië, Lazarus, Maria, Martha, de vijgenboom en de ezel laten aspecten zien van de huidige tijd en van het gelovige overblijfsel van Israël.
    • De gebeurtenis in Handelingen 1 is daarom zowel een teken van Jezus’ vertrek als een duidelijke vooruitwijzing naar Zijn wederkomst.
  • Handelingen – Studie 2

    Na onze vorige bespreking gaan we verder in Handelingen 1. In vers 3 staat dat Jezus, nadat Hij geleden had, zich levend heeft laten zien. Hij deed dat met veel duidelijke bewijzen, veertig dagen lang. In die periode zagen de discipelen Hem en sprak Hij met hen over de dingen die te maken hebben met het Koninkrijk van God. De opstanding van Jezus is het uitgangspunt van dit hele Bijbelboek, en eigenlijk van bijna alle nieuwtestamentische boeken. Vaak wordt al in de eerste verzen gezegd dat Jezus is opgestaan uit de dood.

    Die opstanding betekent dat Jezus de “eersteling van de ontslapenen” werd, of zoals in Kolossenzen 1 staat: de eerstgeborene van een nieuwe schepping. De Hebreeënbrief zegt dat Hij door Zijn opstanding werd aangesteld als Zoon, Koning en Hogepriester aan Gods rechterhand. Daarmee werd Hij de Middelaar en Borg van het nieuwe verbond. Al deze begrippen komen uit het Oude Testament, waar ze al waren aangekondigd. De opstanding van Christus is het fundament waarop alles rust.

    Nieuwtestamentische boeken zijn “nieuwtestamentisch” omdat ze geschreven zijn ná de opstanding van Jezus. Hun inhoud is gebaseerd op die opstanding. Daarom wordt dit al meteen in de opening van Handelingen genoemd. De vraag die daarna steeds terugkomt is: hoe gaat het verder? De Messias is gekomen, maar wat doet Hij daarna? Daarover bestaan veel meningen, en dat blijft zo zolang de “leugenaar van het begin” nog vrij kan rondgaan. Maar we hebben Gods woord, dat vast en betrouwbaar is. Daarin wordt uitgelegd wat de gevolgen zijn van Jezus’ opstanding.

    In de brieven wordt dat leerstellig uitgelegd. In Handelingen zien we dezelfde waarheid in de geschiedenis gebeuren. Handelingen laat zien wat Jezus als de Opgestane doet als Middelaar van het nieuwe verbond. Wat Hij doet, staat hier meteen: Hij spreekt over de dingen die het Koninkrijk van God aangaan. Dat deed Hij niet alleen letterlijk veertig dagen lang, maar Hij doet dat nog steeds.

    Jezus wordt in het Oude Testament aangekondigd als profeet. Een profeet spreekt Gods woord. Jezus was profeet tijdens Zijn leven op aarde, maar nog veel meer sinds Zijn opstanding. Hij is de “getrouwe getuige”, het Woord van God, de hoogste onder de engelen (zoals Hebreeën 1 zegt). Zijn werk bestaat in de eerste plaats uit het bekendmaken van de dingen die bij het Koninkrijk van God horen. Voor wie moeite heeft met die term: je kunt ook zeggen “de dingen van het nieuwe verbond”. Het Koninkrijk komt namelijk voort uit dat nieuwe verbond, en het nieuwe verbond leidt tot de openbaring van dat Koninkrijk.

    In het Oude Testament, vooral in de psalmen, wordt vaak gezegd wat Jezus na Zijn opstanding zou doen: Hij zou Gods lof verkondigen te midden van een grote gemeente, aan Zijn broeders. Dat wordt meerdere keren herhaald. Vaak past men dat toe op de veertig dagen na Zijn opstanding, en dat klopt ook. Maar het is vooral een voorbeeld van wat Jezus nu nog steeds doet. In die zin zijn die veertig dagen eigenlijk nog niet voorbij. Ze staan voor de tijd vanaf Zijn opstanding tot Zijn uiteindelijke terugkomst, wanneer Hij Zijn Koninkrijk zal openbaren aan Israël en daarna aan de volken.

    We kennen deze waarheid niet alleen uit de psalmen, maar ook uit andere teksten. Bijvoorbeeld 2 Korinthe 4:4, waar staat dat God, die gezegd had dat licht uit de duisternis zou schijnen, in onze harten heeft geschenen. Hij geeft ons licht door het evangelie van de heerlijkheid van Christus, die het beeld van God is. Dat is hetzelfde als dat Hij ons Gods woord bekendmaakt.

    Deze waarheid is niet populair, omdat het betekent dat geen enkele gelovige een excuus heeft om Jezus niet te kennen of Zijn woord niet te begrijpen. Hij maakt het immers bekend. Als wij het niet kennen, sluiten wij ons ervoor af. Jezus is de Herder, wij zijn de schapen. Als we echt Zijn schapen zijn, horen we Zijn stem en kennen we Hem. Hij doet Zijn werk trouw, zoals Hebreeën 3 zegt over Zijn taak als Hogepriester. De priesters moesten Gods woord bewaren en onderwijzen. Ook nu is het dienen van de Heer in de eerste plaats het verkondigen van Gods woord. Zonder dat heeft al het andere geen zin.

    Jezus maakt Zichzelf bekend, en daarmee Gods waarheid. Hij verkondigt Gods lof te midden van Zijn broeders en in de gemeente. Dat zien we al in Handelingen 1: Hij verscheen veertig dagen lang aan Zijn discipelen, zij leerden Hem zien, en Hij sprak met hen over het Koninkrijk van God. Dat Koninkrijk is door Zijn opstanding fundamenteel tot stand gekomen. Het Koninkrijk ontstaat wanneer de Koning gekroond wordt. Dat gebeurde bij Zijn opstanding.

    Veel mensen maken van “Koninkrijk van God” een algemene uitspraak zoals “God regeert”. Dat klinkt mooi, maar het heeft niets te maken met wat de Bijbel bedoelt. De Bijbel bedoelt het messiaanse rijk: het Koninkrijk waarin Jezus, de Zoon van David en de Zoon van God, Koning is. Dat Koninkrijk is beloofd vanaf Genesis en is begonnen toen Jezus werd gekroond. De vraag is wie zich eraan onderwerpt. In de gemeente regeert Christus als Heer en Hoofd van Zijn lichaam. Dat is het eerste deel van het Koninkrijk.

    Voor Joden is het duidelijk dat het Koninkrijk van God het beloofde Koninkrijk van de Messias is. Wat uitgelegd moet worden, is hoe dat Koninkrijk zich ontwikkelt. Daar is veel over te zeggen. In een christelijk tijdschrift las ik dat “de Heer nu bezig is de vervallen hut van David weer op te richten”. Dat klopt niet. Handelingen 15 zegt dat God eerst een volk uit de heidenen verzamelt. Pas daarna richt Hij de hut van David weer op. Ook las ik dat Israël nu “barensweeën heeft om het Koninkrijk voort te brengen”. Maar de Bijbel zegt dat Israël pas barensweeën krijgt in de grote verdrukking, wanneer het Koninkrijk openbaar wordt.

    Niemand heeft een excuus om dit niet te weten, want Jezus spreekt tot ons over het Koninkrijk. Hij doet dat door Zijn woord en door Zijn Geest. Als we niet onderwezen zijn in het Koninkrijk, begrijpen we onze eigen positie als gelovigen niet. En als je je eigen positie niet begrijpt, wordt je leven een chaos. Voor ons als kinderen van God geldt dat Hij ons dit wil openbaren, zodat we kunnen wandelen in overeenstemming met onze roeping.

    In Mattheüs 13 staat dat een schriftgeleerde die onderwezen is in het Koninkrijk, nieuwe en oude dingen uit zijn schat voortbrengt. Dat betekent dat we eerst de nieuwe dingen leren (de positie van de gemeente) en daarna de oude dingen (de komst van de Messias en Zijn Koninkrijk op aarde). De oude dingen beginnen al in Genesis: “Laat ons Adam maken naar ons beeld, en laat hij heerschappij hebben.” Dat is een profetie over de Koning. Door de geslachtsregisters heen zien we hoe die belofte wordt doorgegeven, tot aan David. In 2 Samuël 7 belooft God dat Davids zoon eeuwig op de troon zal zitten. In het Nieuwe Testament zien we dat Jezus, door Zijn opstanding, de Zoon van David is die gekroond wordt.

    Het Koninkrijk zal openbaar worden wanneer Jezus terugkomt en de troon van David herstelt. Dat staat letterlijk in de profeten en psalmen. Maar eerst verzamelt God een volk uit de heidenen: de gemeente. Dat is nieuw en was in het Oude Testament verborgen. Daarom moest het in het Nieuwe Testament worden uitgelegd. Wij moeten leren welke plaats wij daarin hebben.

    De discipelen kregen veertig dagen onderwijs voordat ze op de Pinksterdag hun taak begonnen. Of ze alles begrepen, weten we niet. Soms weet je iets wel, maar begrijp je het pas door ervaring. Wat voor ons belangrijk is: die veertig dagen laten zien wat Jezus nu doet. Hij maakt Zich bekend, Hij schijnt Zijn licht in onze harten, Hij spreekt met ons over het Koninkrijk. Dat is belangrijk voor degenen die straks zullen delen in Zijn heerlijkheid: de gemeente, Zijn raad van oudsten.

    Wij worden nu opgeleid voor onze toekomstige taak. Het doel is niet dat we “als christen door het leven komen”, maar dat we voorbereid worden op onze bediening in Zijn Koninkrijk. Daarom spreekt Hij met ons over het Koninkrijk.

    Handelingen eindigt trouwens op dezelfde manier als het begint: Paulus predikt in Rome het Koninkrijk van God en leert over Jezus Christus. De locatie verandert van Jeruzalem naar Rome, maar de boodschap blijft hetzelfde. Het nieuwe dat uitgelegd moet worden, is de positie van de gemeente.

    Dan gaat Handelingen 1 verder. Jezus zegt dat de discipelen in Jeruzalem moeten blijven en moeten wachten op “de belofte van de Vader”, de Heilige Geest. Johannes doopte met water, maar zij zouden met de Heilige Geest gedoopt worden. De discipelen vragen: “Heer, zult U in deze tijd het Koninkrijk voor Israël herstellen?” Jezus antwoordt dat het niet aan hen is om de tijden te weten. In plaats daarvan zegt Hij dat ze kracht zullen ontvangen wanneer de Heilige Geest over hen komt, en dat ze Zijn getuigen zullen zijn in Jeruzalem, Judea, Samaria en tot het einde van de aarde.

    Jezus gaat niet direct in op hun vraag. Hij had al over de Heilige Geest gesproken, en Hij gaat daarmee verder. De discipelen lopen vooruit. Jezus zegt dat ze moeten wachten op wat de Geest zal doen. De term “uitstorting van de Geest” wordt vaak gebruikt, maar de Bijbel legt dat anders uit. Ze moesten wachten in Jeruzalem, en de Geest zou hen leiden. Uiteindelijk bracht de Geest hen naar Rome, en verder.

    De “belofte van de Vader” is de Heilige Geest. In het Oude Testament was beloofd dat God Zijn Geest zou uitstorten. Ook was beloofd dat de Messias zou komen, dat er een nieuw verbond zou komen, dat er leven uit de dood zou komen. Abraham geloofde dat God de doden levend maakt. Dat is de kern van de belofte: opstanding. De Heilige Geest is het leven van Christus. Petrus zegt in Handelingen 2 dat Jezus als eerste de beloofde Geest ontving toen Hij opstond uit de dood.

    Johannes 7 zegt dat de Geest nog niet was, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was. Dat betekent dat de Geest nog niet beschikbaar was voor gelovigen. Na Jezus’ opstanding werd dat wel zo. Gelovigen zouden kinderen van God worden, en dat gebeurt door wedergeboorte: geboren worden uit de Geest. Wedergeboorte en het ontvangen van de Geest zijn hetzelfde.

    Daarom is “uitstorting van de Geest” niet iets anders dan wedergeboorte. De Geest maakt ons tot leden van het lichaam van Christus. Dat is wat “doop met de Heilige Geest” betekent. 1 Korinthe 12 legt dat uit: door één Geest worden wij tot één lichaam gedoopt. Dat betekent dat we één worden met Christus en met elkaar. Het woord “doop” betekent niet alleen onderdompeling, maar doordrenking: volledig gevuld worden. Daarom wordt de Geest vaak voorgesteld als water, wijn of olie.

    De doop met de Geest is dus het werk waardoor we deel worden van het lichaam van Christus. Dat gebeurt niet op de Pinksterdag, maar bij de opstanding van Christus. De discipelen ontvingen de Geest op de dag van Jezus’ opstanding, zoals Johannes 20 zegt: Jezus blies op hen en zei: “Ontvang de Heilige Geest.”

    Wat gebeurde er dan op de Pinksterdag? Niet dat zij de Geest ontvingen, maar dat de kracht van de Geest zichtbaar werd. De Geest die in hen was, kwam op hen. Dat wil zeggen: Hij werd zichtbaar, merkbaar, hoorbaar. Dat was nodig om te laten zien dat de Messias gekomen was en dat Gods beloften waren vervuld. Daarom waren er tekenen: wind, vuur, tongen. Petrus zegt dat dit is wat Joël had voorspeld.

    De discipelen vroegen of Jezus het Koninkrijk zou herstellen. Jezus zegt dat ze moeten wachten in Jeruzalem. De Geest zal hen kracht geven, en ze zullen Zijn getuigen zijn tot aan het einde van de aarde. Dat is precies wat er gebeurt: het evangelie gaat van Jeruzalem naar Judea, Samaria en verder.

    De Geest werkt meestal onzichtbaar, zoals Johannes zegt: je hoort het geluid van de wind, maar je ziet de wind zelf niet. Maar soms maakt God de werking van de Geest zichtbaar, zoals in Handelingen 2, om te laten zien dat Zijn beloften vervuld zijn.

    Samenvatting

    • Jezus verscheen veertig dagen na Zijn opstanding aan de discipelen.
    • In die periode maakte Hij Zichzelf bekend en gaf onderwijs over het Koninkrijk van God.
    • Het Koninkrijk van God begon bij Zijn opstanding, toen Hij als Koning werd aangesteld.
    • Het Oude Testament had dit Koninkrijk al aangekondigd.
    • Het Nieuwe Testament legt vooral het nieuwe onderdeel uit: de positie van de gemeente binnen dat Koninkrijk.
    • De discipelen moesten in Jeruzalem blijven en wachten op “de belofte van de Vader”: de Heilige Geest.
    • De Heilige Geest was in het Oude Testament beloofd en werd beschikbaar na Jezus’ opstanding.
    • Wedergeboorte, het ontvangen van de Geest en de doop met de Geest beschrijven hetzelfde: nieuw leven ontvangen en deel worden van het lichaam van Christus.
    • Op de Pinksterdag ontvingen de discipelen niet de Geest zelf, maar werd de kracht van de Geest zichtbaar.
    • De zichtbare tekenen op Pinksteren lieten zien dat Gods beloften waren vervuld.
    • De Heilige Geest zou de discipelen leiden om getuigen te zijn in de hele wereld.
    • Handelingen begint met Jezus’ opstanding en eindigt met Paulus die in Rome het Koninkrijk van God verkondigt

  • Handelingen – Studie 1

    Ik begin met de eerste woorden uit het Bijbelboek Handelingen, in Handelingen 1:1. Daar staat dat Lucas zijn “eerste boek” heeft geschreven voor iemand die hij Theofilus noemt. In dat eerste boek, het evangelie van Lucas, beschrijft hij wat Jezus begon te doen en te leren, tot de dag waarop Jezus werd opgenomen in de hemel. Dat gebeurde nadat Hij door de Heilige Geest opdrachten had gegeven aan de apostelen die Hij had uitgekozen. Daarna, na Zijn lijden en dood, heeft Jezus zich veertig dagen lang levend laten zien met duidelijke bewijzen dat Hij echt was opgestaan. Hij sprak in die periode met hen over het koninkrijk van God.

    Als je dat leest, merk je meteen dat dit onderwerp – het koninkrijk van God – niet alleen het begin vormt van Handelingen, maar ook het einde. In Handelingen 28 legt Paulus het koninkrijk van God uit aan de Joodse leiders in Rome. En in het laatste vers van het boek staat dat hij het koninkrijk van God predikte en onderwijs gaf over de Heer Jezus Christus, vrijmoedig en zonder tegengehouden te worden. Daarmee wordt duidelijk dat het hele boek Handelingen draait om het koninkrijk van God: Jezus sprak erover, de apostelen ontvingen er onderwijs over, en later verkondigden zij het zelf. Aan het einde van het boek zegt Paulus dat het koninkrijk van God – en daarmee de redding – al lang naar de heidenen is gegaan. Hij kondigt niet aan dat het vanaf dat moment zal gebeuren, maar dat het al gebeurd ís. Dat is precies waar Handelingen over gaat.

    Handelingen is het laatste historische boek van het Nieuwe Testament. Vaak wordt gezegd dat er vijf historische boeken zijn, maar eigenlijk vind je in bijna alle nieuwtestamentische boeken wel geschiedenis. Toch is het duidelijk dat de eerste vijf boeken vooral gebeurtenissen beschrijven. De vier evangeliën zijn vier verschillende verslagen van het leven van Jezus – vier “biografieën”, als je het zo wilt noemen – tot aan Zijn opstanding. Daarna gaat de geschiedenis verder in één boek: Handelingen. Dat past mooi bij een patroon dat je vaker in de Bijbel ziet: het getal vier hoort bij het aardse, het tijdelijke, het zichtbare. Maar na vier komt vijf, het getal dat in de Bijbel vaak verwijst naar het blijvende, het geestelijke, het verborgen. Zo heb je vier verslagen van Jezus’ leven op aarde, en daarna één boek dat vertelt wat Hij doet ná Zijn opstanding: Handelingen, het “vijfde”.

    Het boek Handelingen heeft verschillende bijnamen gekregen. Vaak staat erboven: “Handelingen der apostelen”. Maar eigenlijk gaat het vooral over twee apostelen: eerst Petrus (ongeveer de eerste twaalf hoofdstukken), en daarna Paulus. Je zou het dus ook “De handelingen van Petrus en Paulus” kunnen noemen. Anderen noemen het “De handelingen van de Heilige Geest”, omdat het laat zien wat de Geest doet. Zelf vind ik “De handelingen van Jezus Christus” het mooist, omdat het boek laat zien wat Jezus doet sinds Zijn opstanding. Hij bouwt Zijn gemeente, precies zoals Hij zei: “Op deze Petra zal Ik Mijn gemeente bouwen.” Hij doet dat niet zichtbaar op aarde, maar terwijl Hij Zijn aangezicht verbergt. Hij werkt niet door zichtbaar rond te lopen, maar door Zijn Geest in gelovigen. Hij verzamelt mensen uit de wereld, plaatst hen buiten het oude systeem, en zelfs – zoals Efeze 1 en 2 zeggen – in de hemel.

    Hoewel Handelingen geen leerboek is zoals de brieven van Paulus, heeft het wel leerstellige waarde. Paulus zegt immers dat alle Schrift nuttig is tot onderwijzing. Ook historische boeken onderwijzen ons, omdat ze laten zien hoe Gods werk eruitziet in de praktijk. Geschiedenis is altijd de uitwerking van wat er in mensen leeft. Zo is Handelingen de uitwerking van de leer die in de brieven wordt uitgelegd. Wie vraagt: “Hoe werkt het dan in het echte leven?” vindt het antwoord in Handelingen. Het laat zien hoe gelovigen leven vanuit wat God in hun hart plant. Niet omdat ze onder een wet leven, maar omdat Gods woord in hun hart geplant wordt, zoals Jacobus zegt. Wat in het hart zit, komt naar buiten – in woorden, daden en keuzes.

    Daarom is het zo belangrijk dat het hart gevuld wordt met Gods woord. Veel christenen zijn vooral bezig met regels: “Je moet dit, je moet dat.” Maar dat laat het hart leeg. Als het hart gevuld is met Gods woord, komt het vanzelf naar buiten. Petrus en Johannes zeiden: “Wij kunnen niet anders.” Jezus zei: “Waar het hart vol van is, loopt de mond van over.” Dat zie je in Handelingen: de handelingen van de apostelen zijn eigenlijk de handelingen van Christus in hen.

    Handelingen laat ook zien dat de geschiedenis van Jezus op aarde eindigt met Zijn kruisiging – iets wat op het eerste gezicht lijkt alsof het verkeerd afloopt. Maar zoals Jezus zelf zei: “Moest de Christus niet deze dingen lijden en zo Zijn heerlijkheid ingaan?” Zijn opstanding is het begin van iets nieuws. Toch verschijnt Hij na Zijn opstanding niet meer openbaar aan het volk. Hij laat zich alleen zien aan Zijn discipelen, veertig dagen lang. Daarna gaat Hij naar de hemel, en vanaf dat moment werkt Hij verborgen. Dat past bij wat het Oude Testament al zei: dat God Zijn aangezicht zou verbergen voor Israël. Niet omdat Hij niet kán verschijnen, maar omdat mensen Hem niet willen kennen of danken. Romeinen 1 zegt dat God hen daarom heeft losgelaten.

    In de evangeliën zie je dat Jezus zich soms letterlijk verbergt voor de mensen. Ze wilden Hem koning maken – maar dan zou Hij een koning onder de wet zijn, en dat was niet Gods bedoeling. De Messias zou verlossing brengen, niet een eeuwige voortzetting van het oude systeem. Daarom verbergt Hij zich. Zijn opstanding is bewezen – Hij verscheen aan velen, zelfs aan vijfhonderd tegelijk – maar toch geloven mensen het niet. En Hij blijft niet bezig om het te bewijzen. Hij werkt verborgen, maar wel echt. Hij verschijnt soms nog aan Petrus of Paulus, maar dat is niet meer het belangrijkste. Het belangrijkste is dat Hij leeft en werkt door Zijn Geest.

    Als gelovigen dat werkelijk zouden beseffen, zouden ze anders leven: met meer respect voor God, voor Zijn woord, en voor elkaar. Handelingen laat zien hoe de levende Christus werkt door gewone mensen. Het is geschiedenis, maar ook profetie. In de Bijbel is geschiedenis nooit zomaar geschiedenis. Het beeld van Daniël, de verhalen van Jozef, de genezingen van Jezus – ze zijn allemaal profetische uitbeeldingen van wat God doet in de wereld en in de gemeente. Zo is Handelingen ook een uitbeelding van hoe God werkt in onze tijd.

    Een voorbeeld: in Handelingen 1 wordt de plaats van Judas ingenomen door Matthias. Dat is niet zomaar een organisatorische beslissing. Judas is een beeld van het Joodse volk dat Jezus afwees. Zijn plaats wordt ingenomen door iemand anders – een beeld van de gemeente, die nu de verantwoordelijkheid heeft om Gods woord te bewaren en door te geven. Israël had die taak, maar omdat het volk niet geloofde, is het priesterlijke ambt aan de gemeente gegeven. Paulus legt dat uit in Romeinen 9–11. Handelingen laat het zien in de praktijk.

    Het boek eindigt met Paulus, een Romein, in Rome. Dat is geen toeval. Het laat zien dat het evangelie naar de heidenen is gegaan. De geschiedenis begint in Jeruzalem en eindigt in Rome – een duidelijke uitbeelding van de overgang van Israël naar de volken.

    Lucas, de schrijver van Handelingen, was waarschijnlijk een heiden. Hij schreef zorgvuldig, onderzocht alles, en verbond zijn evangelie rechtstreeks met Handelingen. In beide boeken richt hij zich aan “Theofilus”, wat “vriend van God” betekent. Dat is geen specifieke persoon, maar een naam voor iedereen die God liefheeft.

    In Handelingen 1:3 staat dat Jezus zich levend vertoonde met “vele gewisse kentekenen”. Dat zijn herkenbare tekenen – zoals littekens. Jezus droeg na Zijn opstanding nog steeds de littekens van Zijn kruisiging. Waarschijnlijk zal Hij die ook in de toekomst nog hebben, want in Zacharia 12 vragen de Israëlieten: “Wat zijn die littekens aan Uw handen?” Ook wij zullen in de toekomst herkenbaar zijn. Onze levens, onze ervaringen, onze littekens – geestelijk en misschien zelfs letterlijk – zullen niet verdwijnen. Ze zullen juist laten zien hoe God ons geleid heeft.

    Handelingen laat zien hoe Jezus werkt door Zijn Geest, door gewone mensen, in een wereld waar Hij niet zichtbaar aanwezig is. Het is de voortzetting van Zijn werk na Zijn opstanding. Het is geschiedenis, maar ook uitbeelding, onderwijs en profetie. Het laat zien hoe het evangelie – de boodschap van leven uit de dood – de wereld ingaat.


    Samenvatting

    • Handelingen begint en eindigt met het koninkrijk van God; dat is het hoofdthema van het hele boek.
    • Het boek laat zien wat Jezus doet ná Zijn opstanding: Hij werkt verborgen, door de Heilige Geest, in gelovigen.
    • De vier evangeliën beschrijven Jezus’ leven op aarde; Handelingen is het “vijfde” boek dat Zijn werk na de opstanding laat zien.
    • Handelingen gaat vooral over Petrus (eerste deel) en Paulus (tweede deel).
    • Het boek is geschiedenis, maar ook profetisch: het beeldt uit hoe God werkt in onze tijd.
    • Judas staat symbool voor Israël dat Jezus afwees; Matthias staat voor de gemeente die nu Gods woord bewaart.
    • Het evangelie gaat naar de heidenen; daarom eindigt Handelingen in Rome.
    • Jezus’ opstanding is bewezen; de apostelen zijn getuigen van Zijn leven.
    • Gelovigen leven niet onder regels, maar vanuit wat God in hun hart plant.
    • Alles in Handelingen laat zien hoe de levende Christus werkt door gewone mensen.