Categorie: S woorden

  • Stefanus

    Krans. Eén van de 7 mannen van Jeruzalem, een Grieks sprekende Jood die op aanklacht van Hellenisten werd veroordeeld en de krans van het martelaarschap heeft ontvangen (Hand. 6:5; 7:59).

  • Spijs

    Het voedsel dat mens en dier kracht geeft (1 Kon. 19:8), wordt door God gegeven (Ps. 136:25; 145:15; 2 Kor. 9:10). De Oudtestamentische spijswetten, die verschillende spijzen taboe verklaren, onderstrepen de zeggenschap van de HEER op het gebied van eten en drinken (Gen. 9:4; Lev. 7:22 w; 11). In het evangelie en de brieven vinden we echter de gedachte dat in principe alles gegeten mag worden (Matt. 15:11; Rom.14:3; 1 Tim. 4:4). Daarnaast wordt ook gewezen op ander voedsel waardoor wij versterkt worden, nl. de woorden van God (Am. 8:11; Joh. 4:34), Christus, het levende brood dat uit de hemel is neergedaald (Joh. 6:48; vgl. 6:27; 1 Kor. 5:8; 10:3v; 11:26).

  • Sleutel

    Hebreeuws: maphteeach = openaar, Grieks: kleis = sluiter. Gebruikt voor het openen en sluiten van poort en deur. In de grendel of sluitbalk geschoven licht hij die op, waardoor deze los komt te liggen (Richt. 3:25; Hoogl. 5:4 v).
    In beeldspraak betekent het bezit van een sleutel macht van controle, de sleutelpositie. Hij die de sleutel van het huis van David (het paleis) heeft, beslist over de entree van bezoekers bij de koning (Jes. 22:22).
    Als Petrus de sleutels van het Koninkrijk worden toevertrouwd, bemiddelt hij als leidend apostel in de Jeruzalemse gemeente inzake opname of uitsluiting (Matt. 16:19; vgl. overigens Matt. 18:18 en Joh. 20:23). Jezus heeft zowel de sleutel van het huis van David (Openb. 3:7) als die van het dodenrijk (waardoor Hij de deuren van deze gevangenis kan openen en sluiten Openb. 1:18).

  • Sluier

    De omslagdoek voor het hoofd die over het gelaat kan worden getrokken (Gen. 38:14; Ruth 3:15; Jes. 3:19). De sluier is een bescherming tegen hitte en stof, bij vrouwen ook tegen brutale blikken (Gen. 24:65; Hoogl. 4:1). De doek, die Mozes om het gelaat windt, een bedekking van het gezicht (2 Kor. 3:13), is waarschijnlijk een priestermasker geweest (Ex. 34:33 vv).
    In Ez. 13:18 wordt gezinspeeld op niet geheel duidelijke magische praktijken. Evenmin is geheel doorzichtig waarom Paulus vrouwen in Korinte aanraadt bij het bidden en profeteren de hoofddoek niet af te leggen (1 Kor. 11:6 v).

  • Smeken

    Het vragen door de hulp- en rechteloze om lijfsbehoud of redding (Gen. 42:21; Est. 8:3; Spr. 18:23; Matt. 8:31; 18:26). Het is in het bijzonder het roepen tot God van hen die in het nauw gebracht zijn (1 Kon. 8:33; 2 Kron. 6:24; Ps. 17:1; Dan. 6:12; Ef. 6:18; Hebr. 5:7). De kwalificatie van bidden als smeken accentueert de hulp- en rechteloosheid van mensen voor God (Fil. 4:6; 1 Tim. 2:1).