4. Israël

God verkoos Israël. Het was daarmee Gods volk. Wat waren, naast de belofte dat uit het volk de Messias zou komen, de consequenties voor Israël? Is hun uitverkiezing wel een zegen?

4.1      De voorwaarden

Een verbond tussen twee partijen komt er kort gezegd op neer dat twee partijen, de afspraak maken dat als de ene partij iets doet voor de ander, dat de andere partij daar iets voor terugdoet. En zolang beide partijen binnen de grenzen van het verbond blijven, is er niets aan de hand.

God sloot een verbond met Israël. Hij gaf de opdracht om Zijn voorwaarden vast te leggen. Aan die voorwaarden moest Israël zich houden. In de bijbel worden die voorwaarden de wet genoemd. U moet niet denken dat het bij deze wet alleen om de Tien Geboden gaat. Het was wel iets meer dan dat. Het waren alle regels en voorschriften die in de Thora zijn vastgelegd en die te vinden zijn in de boeken Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium. In het totaal gaat het om 613 stuks.

Maar er staat dan ook wel iets tegenover. Als Israël zich aan deze 613 regels en voorschriften houdt dan belooft God dat Israël een groot aantal zegeningen zou ontvangen en die zegeningen liegen er niet om. Ze worden beschreven in Deuteronomium 28:1-14.

En het zal geschieden, indien gij der stem des HEEREN, uws Gods, vlijtiglijk zult gehoorzamen, waarnemende te doen al Zijn geboden, die ik u heden gebiede, zo zal de HEERE, uw God, u hoog zetten boven alle volken der aarde. En al deze zegeningen zullen over u komen, en u aantreffen, wanneer gij der stem des HEEREN uws Gods, zult gehoorzaam zijn. Gezegend zult gij zijn in de stad, en gezegend zult gij zijn in het veld. Gezegend zal zijn de vrucht uws buiks, en de vrucht uws lands, en de vrucht uwer beesten, de voortzetting uwer koeien, en de kudden van uw klein vee. Gezegend zal zijn uw korf, en uw baktrog. Gezegend zult gij zijn in uw ingaan, gezegend zult gij zijn in uw uitgaan. De HEERE zal geven uw vijanden, die tegen u opstaan, geslagen voor uw aangezicht; door een weg zullen zij tot u uittrekken, maar door zeven wegen zullen zij voor uw aangezicht vlieden. De HEERE zal den zegen gebieden, dat Hij met u zij in uw schuren, en in alles, waaraan gij uw hand slaat; en Hij zal u zegenen in het land, dat u de HEERE, uw God, geven zal. De HEERE zal u Zichzelven tot een heilig volk bevestigen, gelijk als Hij u gezworen heeft, wanneer gij de geboden des HEEREN, uws Gods, zult houden, en in Zijn wegen wandelen. En alle volken der aarde zullen zien, dat de Naam des HEEREN over u genoemd is, en zij zullen voor u vrezen. En de HEERE zal u doen overvloeien aan goed, in de vrucht uws buiks, en in de vrucht uwer beesten, en in de vrucht uws lands; op het land, dat de HEERE uw vaderen gezworen heeft u te zullen geven. De HEERE zal u opendoen Zijn goeden schat, den hemel, om aan uw land regen te geven te zijner tijd, en om te zegenen al het werk uwer hand; en gij zult aan vele volken lenen, maar gij zult niet ontlenen. En de HEERE zal u tot een hoofd maken, en niet tot een staart, en gij zult alleenlijk boven zijn, en niet onder zijn; wanneer gij horen zult naar de geboden des HEEREN, uws Gods, die ik u heden gebiede te houden en te doen; En gij niet afwijken zult van al de woorden, die ik ulieden heden gebiede, ter rechter hand of ter linkerhand, dat gij andere goden nawandelt, om hen te dienen.(Deuteronomium 28:1-14)

4.2      Aardse zegeningen

Wat opvalt in de opsomming van Deuteronomium 28 is dat het alleen om aardse beloningen, aardse zegeningen, zoals rijkdom en voorspoed gaat. Dat was is ook wel te verwachten; Het gaat om een aards verbond. Daarvan wordt gezegd dat de wet op het vlees is gelegd en niet op de geest. Daarom zijn de beloningen ook alleen aardse beloningen. Het houden van de wet was niet voldoende om niet aardse, dus geestelijke beloningen te ontvangen. Niet aardse, maar geestelijke beloningen zoals het verkrijgen van het eeuwig leven. Voor het verkrijgen van Geestelijke zegeningen moest nog iets anders gebeuren en Israël was dus niet klaar met het alleen onderhouden van de wet. In Deuteronomium 6:4,5 staat, de eerste en voornaamste voorwaarde.  Hoor, Israël! de HEERE, onze God, is een enig HEERE! Zo zult gij den HEERE, uw God, liefhebben, met uw ganse hart, en met uw ganse ziel, en met al uw vermogen. (Deuteronomium 6:4-5)

Voor het verkrijgen van aardse zegeningen moet Israël zich houden aan de voorwaarden van hun verbond met God en dat is de wet. Voor het verkrijgen van Hemelse zegeningen, zoals het eeuwig leven moest Israël God onvoorwaardelijk liefhebben.

4.3      Israël maakt zijn uitverkiezing niet waar

Het lijkt allemaal zo simpel; God liefhebben en alle wetten nauwgezet onderhouden. Israël heeft vooral het onderhouden van de wetten uit alle macht geprobeerd, maar God liefhebben, dat bleek vaak een stuk lastiger. God eist een gelovig Israël, omdat Israël de taak moet vervullen die Hij vanaf het begin de Zonen Gods heeft toegedacht: de aarde weer onder het gezag van God brengen. Nog steeds dezelfde opdracht die hij aan Adam had gegeven. Hoewel er voortdurend gelovige Israëlieten zijn geweest, was het volk Israël meer wettisch dan gelovig en uiteindelijk wordt het door het overspelig nalopen van vreemde Goden verworpen door God. In Hosea 1 wordt deze verwerping als volgt beschreven: “En het zal te dien dage geschieden, dat Ik Israëls boog verbreken zal, in het dal van Jizreel. En zij ontving wederom, en baarde een dochter; en Hij zeide tot hem: Noem haar naam Lo-ruchama; want Ik zal Mij voortaan niet meer ontfermen over het huis Israëls, maar Ik zal ze zekerlijk wegvoeren. Maar over het huis van Juda zal Ik Mij ontfermen, en zal ze verlossen door den HEERE, hun God, en Ik zal ze niet verlossen door boog, noch door zwaard, noch door krijg, door paarden noch door ruiteren. Als zij nu Lo-ruchama gespeend had, ontving zij, en baarde een zoon. En Hij zeide: Noem zijn naam Lo-ammi; want gijlieden zijt Mijn volk niet, zo zal Ik ook de uwe niet zijn. Nochtans zal het getal der kinderen Israëls zijn als het zand der zee, dat niet gemeten noch geteld kan worden; en het zal geschieden dat ter plaatse, waar tot hen gezegd zal zijn: Gijlieden zijt Mijn volk niet; tot hen gezegd zal worden: Gij zijt kinderen des levenden Gods. En de kinderen van Juda, en de kinderen Israëls zullen samenvergaderd worden, en zich een enig hoofd stellen, en uit het land optrekken; want de dag van Jizreel zal groot zijn. Zegt tot uw broederen: Ammi, en tot uw zusteren: Ruchama.” (Hosea 1:5-12)

4.4      De verwerping van Israël

De verwerping van Israël is een steeds terugkerend thema in het Oude Testament. Zowel in de grote als in de kleine profeten wordt het verbond tussen God en Israël dikwijls voorgesteld als een huwelijksrelatie, waarin God de man en Israël de vrouw is. Kenmerkend voor dit huwelijk is het overspel van de vrouw; Israël vervalt voortdurend tot afgoderij, de vrouw hoereert met andere mannen.

Nadat het koninkrijk van Salomo is gesplitst in het tien-stammenrijk Israël en het twee-stammenrijk Juda, verandert het beeld van één vrouw naar twee zusters. Afkerigheid (Israël) en trouweloze (Juda) zijn beide getrouwd met God, hebben beide een verbond met God.  “Voorts zeide de HEERE tot mij, in de dagen van den koning Josia: Hebt gij gezien, wat de afgekeerde Israël gedaan heeft? Zij ging henen op allen hogen berg, en tot onder allen groenen boom, en hoereerde aldaar. En Ik zeide, nadat zij zulks alles gedaan had: Bekeer u tot Mij; maar zij bekeerde zich niet. Dit zag de trouweloze, haar zuster Juda. En Ik zag, als Ik ter oorzake van alles, waarin de afgekeerde Israël overspel bedreven had, haar verlaten, en haar haar scheidbrief gegeven had, dat de trouweloze, haar zuster Juda, niet vreesde, maar ging henen, en hoereerde zelve ook. Ja, het geschiedde, vanwege het gerucht harer hoererij, dat zij het land ontheiligde; want zij bedreef overspel met steen en met hout. En zelfs in dit alles heeft zich haar trouweloze zuster Juda tot Mij niet bekeerd met haar ganse hart, maar valselijk, spreekt de HEERE.” (Jeremia 3:6-10)

Israël (10 stammen) wordt verstoten en krijgt van God een scheidbrief, d.w.z. God erkent Israël niet meer als Zijn volk, het huwelijk wordt ontbonden. Daarmee komt Israël gelijk te staan met alle andere volkeren die in de Bijbel de heidenen worden genoemd. Het andere huwelijk, het huwelijk tussen God en Juda (twee stammen) is zonder meer slecht te noemen, er was van de kant van de vrouw alleen plichtsgevoel, het zich houden aan de wet. Liefde (geloof) was er niet of nauwelijks en ook dat huwelijk zal door het gebrek aan liefde geen standhouden. Hoe het einde van dat huwelijk tot stand komt, wordt later in dit hoofdstuk beschreven. Maar eerst het volgende.

4.5      Jahwe = Christus

De God van het Oude Testament wordt ook wel Jahwe genoemd. In het Christendom is de leer van de drie-eenheid de theologische opvatting die er vanuit gaat dat er één God bestaat in drie goddelijke personen: de Vader, de Zoon (Jezus Christus) en de Heilige Geest. In het verleden is er veel strijd geweest over deze leer en ook nu zijn er nog veel gelovigen die zich niet in de leer kunnen vinden. Om de discussie hier opnieuw te gaan voeren lijkt me overbodig, maar dat wat over God de Vader in de Bijbel wordt gezegd neem ik nu wel als uitgangspunt. God de Vader heeft een aparte positie die gekenmerkt wordt door het onvermogen van een mens om hem te kunnen zien. In Exodus 33:20 staat: “Gij zoudt Mijn aangezicht niet kunnen zien; want Mij zal geen mens zien, en leven.” We kunnen de conclusie trekken dat de God die spreekt met en gezien wordt door Adam en Eva, Noach, Abraham en nog vele anderen in het Oude Testament door de uitspraken in Exodus 33:20 niet God de Vader kan zijn. Ze zijn namelijk niet dood neergevallen toen ze een ontmoeting hadden met God. Exodus 33:20 spreekt over God de vader, die woont in een ontoegankelijk licht in de hemel.

Johannes de doper zegt: “Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in den schoot des Vaders is, Die heeft Hem ons verklaard.” (Johannes 1:18). Ook uit deze uitspraak van Johannes blijkt dat de God die in de bijbel door mensen, in welke verschijningsvorm dan ook, werden gezien niet God de Vader kan zijn.

Maar wie is het dan wel. Er blijven twee mogelijkheden over: De Zoon of de Heilige Geest. Van de Heilige Geest weten we dat die aan ons wordt gegeven, ons leidt of ons iets ingeeft. De Heilige Geest neemt in de bijbel op geen enkele plaats een menselijke gestalte aan. En dus moeten we de conclusie trekken dat de God van het Oude Testament, oftewel Jahwe, verschijningsvormen van God de Zoon zijn en daarmee kan van Jezus van Nazareth hetzelfde gezegd worden, ook hij is de Zoon van God. De uitspraak die Jezus deed over Abraham was voor de Joden, die Jezus niet zagen als de Zoon van God, maar als een profeet, ook niet te begrijpen. “Jezus zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Eer Abraham was, ben Ik.”  (Johannes 8:58).

4.6      Jezus vervangt zowel Adam als Israël

God (Jahwe) probeert het hele oude testament door Israël zover te krijgen dat ze zich aan de afspraken gaat houden, maar als blijkt dat het straffen niet geholpen heeft en de waarschuwingen van de profeten in het gunstigste geval in de wind geslagen zijn, doet God nog een uiterste poging. Hij komt zelf naar de aarde als de mens Jezus van Nazareth. Net als de straffen en de vermaningen heeft deze komst evenmin geholpen. Johannes 1:11 zegt dat Jezus tot het Zijne kwam, maar de zijnen hebben Hem niet aangenomen. De Joden nemen Jezus niet aan als hun Verlosser, zij stellen het andere centraal: je plicht doen, de wet houden. Zodra Jezus iets doet wat in de ogen van de Joden niet geoorloofd is, wordt er direct gezegd: Zie je wel, hij deugt niet, hij doet dingen die de Thora verbiedt. Zoals het genezen op sabbat.

Jezus is niet gekomen om de wet te ontbinden, maar om te vervullen. (mat. 5:17) Maar dat wil dus klaarblijkelijk niet zeggen dat hij in zijn leven alle 613 wetten keurig gaat houden. De Joden hebben hem al betrapt op verschillende overtredingen. Het vervullen van de wet is veel meer het betalen van de prijs, de boete voor het overtreden van de wet. Toch was het in eerste instantie de bedoeling van Jezus om door middel van bekering van het joodse volk te verzoenen met God de Vader. Hij roept met “Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen” iedere Israëliet op tot geloof. Maar de Joden denken anders: wij houden de voorschriften, dus wij geloven. Zij draaien de zaak om. Ze gaan er niet van uit dat de wetten het tekort moeten aantonen en zouden moeten leiden tot geloof in Hem die de tekorten kan wegnemen. Nee, zij denken op grond van hun wetsvervulling geloof te hebben. Het is onvermijdelijk; ook het huwelijk met Juda strandt. De ultieme poging van de man om het huwelijk te redden loopt op niets uit en het huwelijk moet worden ontbonden. Dit gebeurt uiteindelijk bij de dood van de man aan het kruis. Alleen is dat nog niet het einde van het verhaal van de zonen Gods.

“Weet gij niet, broeders! (want ik spreek tot degenen, die de wet verstaan) dat de wet heerst over den mens, zo langen tijd als hij leeft? Want een vrouw, die onder den man staat, is aan den levenden man verbonden door de wet; maar indien de man gestorven is, zo is zij vrijgemaakt van de wet des mans. Daarom dan, indien zij eens anderen mans wordt, terwijl de man leeft, zo zal zij een overspeelster genaamd worden; maar indien de man gestorven is, zo is zij vrij van de wet, alzo dat zij geen overspeelster is, als zij eens anderen mans wordt. Zo dan, mijn broeders, gij zijt ook der wet gedood door het lichaam van Christus, opdat gij zoudt worden eens Anderen, namelijk Desgenen, Die van de doden opgewekt is, opdat wij Gode vruchten dragen zouden.“ (Romeinen 7:1-4).