3. Twee lijnen

In de bijbel ontstaan twee lijnen en die lijnen komen niet weer bij elkaar. God kiest één van de twee lijnen en volgt die.

3.1      De erfzonde

Adam had samen met Eva gegeten van de boom van kennis van goed en kwaad. Het gevolg was dat ze zouden sterven. Nou was het niet zo dat de mensen die toen op aarde leefden niet stierven. Natuurlijk gingen deze mensen dood en natuurlijk wisten deze mensen zelf ook wel dat ze dood konden gaan. De vraag is of ze zich bewust waren van het feit dat hun sterfelijkheid een straf was. Ze wisten ook niet dat ze voor God al dood waren. God kenden ze namelijk niet. God had zich nog maar aan twee mensen geopenbaard.  Adam is door het eten van de boom van kennis van goed en kwaad zich bewust geworden van zijn straf. Logischerwijs kun je pas spreken over straf als je op de hoogte bent van de regels en dat straf iets is dat je krijgt als je de gestelde regels overtreedt. Je hebt dan kennis van goed en kwaad. Door het eten van de boom werd Adam zich dus bewust van zijn zondige aard en werd zich bewust van het feit dat hij door zijn zondige aard gestraft zou worden met de dood. De zondige aard van de mensen wordt doorgegeven door de vader. Het gaat van vader op zoon en van vader op dochter.  De dochter heeft in zo’n geval wel de zondige aard, maar ze kan hem niet doorgeven. De zondige aard en het doorgeven daarvan noemen we de erfzonde.

3.2      De belofte van het zaad

Door de erfzonde sterven wij en tot nu toe is dat het verhaal. Adam had gefaald en het was duidelijk dat de mens vanaf het begin al te zwak was om de uitvoering van Gods plan tot een goed einde te brengen. De mens bleek niet opgewassen tegen de satan. Er moest een plan B komen. Om de schepping te veroveren op satan en over te dragen in de handen van de Vader zou een sterkere persoon moeten komen dan Adam.

In Gen.3:15 staat wat God tegen de slang, die Adam en Eva heeft overgehaald om te eten van de boom van kennis van goed en kwaad, zegt: “En Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad; datzelve zal u den kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen.” (Genesis 3:15). Of God hier met “deze vrouw” nadrukkelijk Eva bedoelt is niet waarschijnlijk. Het gaat voornamelijk om het zaad van Eva. Om voor de hand liggende biologische redenen mogen we aannemen dat God hier haar nageslacht, haar nazaten bedoelt. Van de slang weten we wie hij is. Dus als we deze uitspraak afpellen blijft over: Iemand uit het nageslacht van Eva zal de satan zijn kop vermorzelen en de satan zal die iemand de verzenen vermorzelen. Een ander woord voor vermorzelen is verpletteren en de verzenen bij een mens zijn de hielen. Als je zoekt naar de gebeurtenis waar dit allemaal gebeurt dan komen we uit bij de kruisiging.

Bij de kruisiging wordt Christus, die uit het geslacht van Adam en Eva komt, aan het kruis geslagen. De spijkers werden door de hiel van Christus het hout ingeslagen en de woorden “en gij zult het de verzenen vermorzelen” werden daar waarheid.  Dan blijft nog de vraag over of bij de kruisiging de kop van satan verpletterd is en had hij dit dreigement van God dan niet serieus genomen?

3.3      Satans kennis is beperkt

Natuurlijk wist satan van de komst en de taak van de Christus en uit de verzoeking in de woestijn blijkt dat hij ook wist dat Jezus de Christus was. Wat hij zich niet gerealiseerd heeft, is dat de dood en opstanding van Jezus Christus zijn ondergang was. Eigenlijk was dat voor iedereen nog een raadsel, of zoals dat ook wel wordt genoemd een verborgenheid. Pas toen Jezus Christus het nodig vond dat het doel van zijn lijden en sterven duidelijk werd, maakte hij het openbaar. Dit openbaar maken staat beschreven in Lukas 24. “Toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden. En zeide tot hen: Alzo is er geschreven, en alzo moest de Christus lijden, en van de doden opstaan ten derden dage. En in Zijn Naam gepredikt worden bekering en vergeving der zonden, onder alle volken, beginnende van Jeruzalem. “(Lucas 24:45-47).

De uitleg voor de discipelen kwam pas na zijn dood en opstanding, maar dat wil niet zeggen dat Jezus voor die tijd niet al het een en ander had aangekondigd. In Mattheus 16:21 staat dat Jezus al probeerde het aan de discipelen duidelijk te maken. “Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te vertonen, dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de ouderlingen, en overpriesteren, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en ten derden dage opgewekt worden.” (Mattheüs 16:21).

Dat was het moment dat Satan door had wat er ging gebeuren. Hij trok meteen aan de noodrem en wel in de persoon van Petrus, die zei: “Heere, wees U genadig! dit zal U geenszins geschieden.” (Mattheüs 16:22). Jezus had wel door wie zijn lijden en serven zou willen tegenhouden en antwoordde Petrus met: “Ga weg achter Mij, satanas! gij zijt Mij een aanstoot, want gij verzint niet de dingen, die Gods zijn, maar die der mensen zijn.” (Mattheüs 16:23).  Satan heeft in de persoon van Judas nog geprobeerd de veroordeling tegen te gaan. “Toen heeft Judas, dien Hem verraden had, ziende, dat Hij veroordeeld was, berouw gehad, en heeft de dertig zilveren penningen den overpriesters en den ouderlingen wedergebracht, Zeggende: Ik heb gezondigd, verradende het onschuldig bloed! Maar zij zeiden: Wat gaat ons dat aan? Gij moogt toezien.” (Mattheüs 27:3-4). Als laatste poging heeft satan nog geprobeerd via de vrouw van Pilatus het tij te keren. Zij vroeg haar man om geen recht te spreken en de zaak te laten rusten. De satan heeft zijn nederlaag niet kunnen verhinderen. De Joden hebben, zonder het te beseffen, door de veroordeling van Jezus niet de satan in de kaart gespeeld, maar juist Jezus zelf.

3.4      De splitsing

Vanaf het moment dat God de uitspraak tegen satan deed “En Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad; datzelve zal u den kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen.” (Genesis 3:15), is er in de Bijbel sprake van twee lijnen; Aan de ene kant hebben we het zaad van Eva en aan de andere kant het zaad van de slang. Of als je het meer wil toepassen op de mens van nu; het zaad van de vrouw: mensen die God aannemen, die God geloven en het zaad van de slang: mensen die God afwijzen, die God niet geloven.

De geschiedenis van de zonen van Adam en Eva, Kaïn en Abel, is het ontstaan van de splitsing in twee lijnen. Toen Kaïn uit jaloezie Abel dood sloeg werd Kaïn daarvoor natuurlijk gestraft. Hij moest de familie verlaten en werd uit de familie gezet. Hij mocht zich geen zoon van Adam meer noemen.

Het begrip zoon is in de Bijbel vaak wat anders dan het tegenovergestelde van dochter. Met de term wordt namelijk veel meer bedoeld dan alleen het geslacht van het kind. In Openbaring 12:5 staat de volgende zin: “En zij baarde een zoon, een mannelijk wezen.” Als met het begrip zoon alleen maar een jongetje bedoeld wordt dan is deze zin uit Openbaring een hele vreemde, met vooral tamelijk overbodige informatie. In Jesaja 9:5 staat “Want een kind is ons geboren, een zoon is ons gegeven.” En hier begint de andere betekenis van zoon duidelijk te worden. Zoon betekent in de Bijbel erfgenaam. Het kind waar Jesaja over schrijft, het kind dat is geboren, is de van God gegeven erfgenaam. In de Bijbel betekent zoon dus veel meer erfgenaam dan kind.

Nadat Kaïn Abel gedood had werd hij dus niet alleen weggestuurd, hij werd ook niet langer gezien als zoon van Adam en werd dus onterfd.

Kaïn vestigde zich vervolgens in het land Nod. Daar trouwde hij en kreeg een zoon, Henoch. Overigens is het trouwen van Kaïn en het krijgen van een zoon een redelijk krachtig bewijs van het feit dat Adam en Eva niet de eerste mensen op aarde waren. Tenzij je wil geloven dat Kaïn met zijn zusje trouwde en bij haar een kind verwekte; een kind uit incest dus.

Door het vertrek van Kaïn ontstond de scheiding, de splitsing in twee lijnen, met aan de ene kant de mensen, het zaad van de slang en aan de andere kant de zonen Gods, het zaad van Eva. Probleem was echter dat er op dat moment geen zonen Gods meer waren. Na de dood van Abel en het vertrek van Kaïn hadden Adam en Eva geen zonen meer die zich zonen Gods zouden mogen noemen. Gelukkig kregen Adam en Eva daarna nog een kind, een zoon. Ze noemden hem Seth wat “in de plaats van“ betekent en met hem werd de lijn van de Zonen Gods toch voortgezet. Abel was in eerste instantie de zoon die daar mee moest gaan beginnen, maar het werd zijn “plaatsvervanger” Seth die de draad oppakt.

3.5      Tweede gaat voor de eerste

In Mattheus 19:30 doet Jezus de uitspraak: “Maar vele eersten zullen de laatsten zijn, en vele laatsten de eersten.” En het blijkt dat het in de Bijbel veel vaker voor komt dat de tweede voor de eerste gaat. Bijvoorbeeld bij de zegening door Izak van Jakob en Ezau en bij de kinderen van Jozef als ze in Genesis 48:14-20 door Jakob worden gezegend. Het is zelfs zo dat de Gemeente, (een volk uit de heidenen) vóór Israël, (Gods eerstgeborene) gaat. “Dan zult gij tot Farao zeggen: Alzo zegt de HEERE: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israël.” (Exodus 4:22) en in Handelingen 15:14 staat het tegenovergestelde “Simeon heeft verhaald hoe God eerst de heidenen heeft bezocht, om uit [hen] een volk aan te nemen door Zijn Naam.” Er heeft dus duidelijk een verwisseling plaatsgevonden.

Dat de tweede voor de eerste gaat is ook vandaag nog het geval. Voor God gaat de gelovige (=nieuwe mens) vóór de uit een vrouw geboren mens (=oude mens). Uiteindelijk volbracht Jezus wat Adam niet is gelukt, daarom wordt Jezus ook wel de tweede Adam genoemd. Allemaal voorbeelden van het principe dat de tweede voor de eerste gaat.

3.6      De lijn van de zonen Gods

Als we de familie van Adam en Eva volgen in de tijd, komen we via hun zoon Seth, via Noach, Abraham en Izak uit bij de aartsvader Jakob. Van Jakob weten we dat hij twaalf zonen had en de Israëlieten werden onderverdeeld in twaalf stammen. Zijn bekendste zoon Jozef, die door zijn broers als slaaf verkocht werd, had geen stam naar zich vernoemd gekregen. In plaats daarvan waren zijn zonen Efraïm en Manasse de stamvaders van hun eigen stam. Het zijn dus welgeteld 13 stammen. Niet iedere stam kreeg een eigen stuk grond. De stam Levi leefde verspreid onder de andere stammen en dat had te maken met de specifieke taak die deze stam was toebedeeld. De stam Levi kreeg het recht op het priesterschap. Vanaf dat moment kon alleen iemand uit de stam Levi priester worden.

Na koning Salomo scheurde het rijk van de twaalf stammen in tweeën. Tien van de twaalf stammen scheidden zich af en vormden het Tienstammenrijk. Dit rijk wordt ook wel Israël of Efraïm genoemd. De andere twee stammen, Juda en Benjamin, bleven trouw aan het koningshuis. Het rijk van de twee stammen kreeg de naam Juda; Juda was de grootste van de twee stammen.

Onder de tienstammen was Efraïm de machtigste.

Als in het algemeen in de Bijbel gesproken wordt over Israël, dan worden alle stammen, inclusief de stam Levi, bedoeld.

3.7      De erfenis voor Israël

Nu we weten wat Israël is en dat Israël de erfgenaam van God is, wordt het interessant om te onderzoeken wat dan eigenlijk die erfenis is, waar bestaan die erfenis uit. Israël erft onder andere de belofte die God aan Eva en aan Abraham gegeven heeft over het zaad en dat is, volgens Galaten 3:16, Christus. “Nu zo zijn de beloftenissen tot Abraham en zijn zaad gesproken. Hij zegt niet: En den zaden, als van velen; maar als van een: En uw zade; hetwelk is Christus.” (Galaten 3:16)

Uit Israël zal de Messias komen en wel uit de stam Juda. “De schepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tussen zijn voeten, totdat Silo(=de Messias) komt, en Denzelven (=de Messias) zullen de volken gehoorzaam zijn.” (Gen.49:10). De Messias komt, zo blijkt uit dit vers, niet om alleen Israël te redden, maar alle volken. De zegen over de volken komt wel via Gods volk Israël, dat in Exodus 19:6 ook de opdracht krijgt een koninkrijk van priesters te zijn, maar deze opdracht kan door Israël alleen worden uitgevoerd onder leiding van de Messias; Christus. “En gij zult Mij een priesterlijk koninkrijk, en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden, die gij tot de kinderen Israëls spreken zult.” (Exodus 19:6)

Deze belofte was het allerbelangrijkste, maar er was meer en wat dat precies inhoudt wordt in Hoofstuk 4 uitgelegd.