2. De moeilijke weg

In het vorige hoofdstuk werd gezegd dat het thema van de Bijbel is: Gods plan om Zijn schepping die in verkeerde handen gevallen is, terug te krijgen. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op welke manier God zijn plan tot uitvoering brengt.

2.1      Dag en Nacht

Bijna direct in het begin van de Bijbel wordt begonnen met het uitwerken van het thema. Het gaat allemaal heel snel. Terwijl je nog maar net begonnen bent met lezen en je moet waarschijnlijk nog helemaal in het verhaal komen, heb je, als je niet oppast, het hoofdthema al gemist. Als we de allereerste vier verzen van de Bijbel nog eens lezen, maar nu met in het achterhoofd het eerdergenoemde thema dan is het eigenlijk niet te missen. ”In den beginne schiep God den hemel en de aarde. De aarde nu was woest en ledig, en duisternis was op den afgrond; en de Geest Gods zweefde op de wateren. En God zeide: Daar zij licht! en daar werd licht. En God zag het licht, dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en tussen de duisternis.  En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de eerste dag.” (Genesis 1:1-5)

God wil zijn schepping weer in handen krijgen door scheiding te maken tussen het licht, dat Hij speciaal daarvoor gemaakt heeft en de duisternis. Opvallend is ook dat van het licht gezegd wordt dat het goed was, implicerend dat de duisternis dat niet of in ieder geval minder was. Doordat God scheiding maakte tussen de twee, worden de partijen meteen tegenover elkaar gezet.

Vaak wordt gedacht dat God op de eerste dag het verschil creëerde tussen de dag en nacht als zijnde de dagen in een week. De dag die begint met de ochtend en de nacht die begint met de avond. Maar die dag en die nacht worden pas op de vierde dag gemaakt zoals wordt beschreven in vers 14 van Genesis 1. “En God zeide: Dat er lichten zijn in het uitspansel des hemels, om scheiding te maken tussen den dag en tussen den nacht; en dat zij zijn tot tekenen en tot gezette tijden, en tot dagen en jaren!“ (Genesis 1:14)

 2.2      Verlossing van binnenuit

God maakte scheiding tussen Licht en duisternis, maar was het niet veel gemakkelijker geweest dat God in een klap de strijd had beslecht? Een knallende oorlog met als doel het terugveroveren van de aarde? Ongetwijfeld de snelste en makkelijkste weg, maar de vraag bij een dergelijke oorlog is wel wat de blijvende schade zou zijn geweest. Neemt niet weg dat deze optie altijd tot de mogelijkheden behoorde. Jezus wist dat ook, maar geeft direct aan dat voor die weg niet gekozen is. “Of meent gij, dat Ik Mijn Vader nu niet kan bidden, en Hij zal Mij meer dan twaalf legioenen engelen bijzetten? Hoe zouden dan de Schriften vervuld worden, [die zeggen], dat het alzo geschieden moet?” (Matth.26:53,54).

Ook bij de verzoeking in de woestijn wordt de snelle en makkelijke weg voorgesteld. Jezus komt daar daadwerkelijk ‘lijfelijk’ oog in oog te staan met zijn tegenstander en krijgt daar van de duisternis, Satan, het aanbod om te strijd te beslechten. “En als Hem de duivel geleid had op een hogen berg, toonde hij Hem al de koninkrijken der wereld, in een ogenblik tijds. En de duivel zeide tot Hem: Ik zal U al deze macht, en de heerlijkheid derzelver [koninkrijken] geven; want zij is mij overgegeven, en ik geef ze, wien ik ook wil; Indien Gij dan mij zult aanbidden, zo zal het alles Uw zijn. En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Ga weg van Mij, satan, want er is geschreven: Gij zult den Heere, uw God, aanbidden, en Hem alleen dienen.” (Lukas.4:5-8).

Satan zet hier al zijn bezittingen in, maar Jezus zal het niet aannemen. Jezus zal nooit voor Satan knielen.

Hoewel Jezus en Satan in de Bijbel pas bij de verzoeking in de woestijn tegenover elkaar staan, begon hun strijd al toen God scheiding maakte tussen licht en duisternis. De strijd zal pas gestreden zijn als het Licht de duisternis heeft overwonnen.

God kiest niet voor een totale verwoestende oorlog die waarschijnlijk zijn hele schepping zou verwoesten. Hij wilde klaarblijkelijk geen door oorlog verscheurde aarde. God pakte het gelukkig voor ons subtieler aan en koos voor zijn doel de mens die Hij speciaal daarvoor maakte zoals beschreven staat in Genesis 1: 26-30.  “En God zeide: Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis, opdat zij heersen over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over het vee en over de gehele aarde en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen. En God zegende hen en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar en wordt talrijk, vervult de aarde en onderwerpt haar, heerst over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt. En God zeide: Zie, Ik geef u al het zaaddragend gewas op de gehele aarde en al het geboomte, waaraan zaaddragende vruchten zijn; het zal u tot spijze dienen. Maar aan al het gedierte der aarde en al het gevogelte des hemels en al wat op de aarde kruipt, waarin leven is, (geef Ik) al het groene kruid tot spijze; en het was alzo. (Gen.1:26-30)”

2.3      Het einde van Genesis 1

In Genesis 1:26-30 beschrijft God het scheppen van de mens en de opdracht die de mensen krijgen. Daarmee is ook bijna het einde van het scheppingsverhaal bereikt en het einde van het eerste hoofdstuk van de Bijbel. Er volgt nog één laatste vers ter afronding: “En God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de zesde dag.  (Genesis 1:31)”. De indeling van de Bijbel in hoofdtukken en perikopen is veel later pas gedaan. Genesis was in het begin een lang verhaal. En het was logischer geweest dat het hoofdstuk niet hier eindigt, maar dat de eerste 4 verzen van hoofdstuk twee bij het eerste hoofdstuk gevoegd waren omdat deze 4 verzen duidelijk bij de afronding van het scheppingsverhaal horen en dus bij Hoofdstuk 1 van de Bijbel. De eerste vier verzen van hoofdstuk 2 luiden als volgt: “Alzo zijn volbracht de hemel en de aarde, en al hun heir. Als nu God op den zevenden dag volbracht had Zijn werk, dat Hij gemaakt had, heeft Hij gerust op den zevenden dag van al Zijn werk, dat Hij gemaakt had. En God heeft den zevenden dag gezegend, en dien geheiligd; omdat Hij op denzelven gerust heeft van al Zijn werk, hetwelk God geschapen had, om te volmaken. Dit zijn de geboorten des hemels en der aarde, als zij geschapen werden; ten dage als de HEERE God de aarde en den hemel maakte.” (Genesis 2:1-4)

Vanaf Genisis 2:5 wordt (ook) meteen de schaal anders. Ging het bij Genesis 1:1 tot Genesis 2:4 nog om het heelal, of de wereld en alles wat daarbij hoort, Genesis 2:5 zoemt in op een veel kleiner gebied. Een gebied dat nog niet tot ontplooiing is gekomen omdat het er nog niet geregend had. Het is het gebied waar in het oosten het paradijs door God is gepland. Het was een droog en dor gebied waar nog geen mensen waren geweest. Pas toen God het in dat gebied liet regenen, kon alles tot ontwikkeling komen.

2.4      De eerste (?) mens

Met een van de mensen die Hij eerder had geschapen, begon God een andere relatie. Dit was Adam. Dat Adam niet de eerste mens op aarde was blijkt uit verschillende punten.

  1. Ten eerste uit het verschil in opdrachten. God had aan de mensen (Genesis 1:28) de volgende opdracht gegeven: “Weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de aarde, en onderwerpt haar, en hebt heerschappij over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt!”
    Adam krijgt in Genesis 2:15 een heel andere taak. Hij moet de hof van Eden bouwen en onderhouden. Als Adam in zijn eentje op aarde zou zijn was hij nog niet eens begonnen met de uitvoering van zijn eerste opdracht of hij kreeg al een nieuwe opdracht. Een soort brevet van onvermogen moet het dan voor hem geweest zijn. De arme man zou dat zeker zo gevoeld hebben, al was het alleen maar omdat de moed je in de spreekwoordelijke schoenen zakt als je in je eentje op aarde als eerste de opdracht krijgt: “Wees vruchtbaar”.
  2. Ten tweede het feit dat Adam, volgens Genesis 2:24, op de hoogte is van begrippen als vader en moeder. Het moment dat Adam spreekt over vader en moeder is vlak nadat Eva is geschapen. Als Adam de eerste mens zou zijn is het vreemd dat hij zo snel al de begrippen vaderschap en moedershap zou kennen.
  3. Genesis 4:14-17 vertelt over Kaïn die, voor zover is na te gaan, nadat hij Abel heeft doodgeslagen, het enige nog levende kind van Adam en Eva is. Kaïn is bang dat iedereen die hem na de broedermoord zal aantreffen, hem zal willen doden en God stelt daarom een teken aan Kaïn, opdat niemand hem zal verslaan. Kaïn vertrekt vervolgens naar het land Nod ten oosten van Eden, onder de mensen en hij neemt zich daar uit die mensen een vrouw. De vrouw baart hem een zoon Henoch en Kaïn sticht daarna de stad Henoch, genoemd naar zijn zoon. Er waren dus wel degelijk andere mensen.
  4. Als bijkomend punt kan nog worden aangevoerd dat volgens Genesis 1:28 de mens moest heersen over de vissen der zee, maar dat deze opdracht voor Adam onmogelijk is vanwege het feit dat de hof van Eden geen zee heeft.

Uit de genoemde punten kan alleen maar worden geconcludeerd dat Adam niet de eerste mens was, maar dat hij wel als eerste de mens was die door God geroepen werd. Hij was de mens waar God zijn plan om de schepping weer in Zijn handen te krijgen mee begon. Wat daar in de eerste plaats voor nodig was, was dat er tussen God en Adam een aparte relatie tot stand gebracht moest worden. Een relatie tussen God en de mens. Die relatie is er normaal gesproken dus niet. Alle levende organismen die op de aarde worden geboren, dus ook de mensen, zijn volgens God alleen maar levende zielen. “En God zeide: De aarde brenge levende zielen voort, naar haar aard, vee, en kruipend, en wild gedierte der aarde, naar zijn aard! En het was alzo. (Genesis 1:24)”.

Adam krijgt naast het gewone leven (de ziel) ook nog de adem die hem levend voor God maakte (de geest). God blies daartoe in Adams neusgaten “den adem des levens”. De relatie tussen God en de mens, die God creëerde door Adam de levensadem in te blazen, noemen we geloof. Alleen geloof maakt de mens voor God levend en daarom heeft slechts de gelovige de tweede levensadem, dus de geest. Iemand die niet gelooft, leeft weliswaar, het is een levende ziel, maar voor God is hij een dode. Dit verklaart de uitspraken van Jezus: “Volg Mij, en laat de doden hun doden begraven.” (Mattheüs 8:22) en “Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest”.  (Lukas 23:46). Nadat God Adam de tweede levensadem had ingeblazen, plaatste Hij hem in de hof van Eden, het paradijs.

2.5      De verboden vrucht

Adam was helemaal alleen in het paradijs en had de opdracht gekregen die te bouwen en te onderhouden. Er was hem maar één verbod gegeven en dat was dat het hem verboden was om van één bepaalde boom niet te eten. Het was de boom die midden in het paradijs stond, de boom van kennis van goed en van kwaad.  Als hij daarvan zou eten, had God hem verteld, zou hij sterven.

Omdat het niet goed was dat Adam in zijn eentje in het paradijs was werd Eva, zijn vrouw, gemaakt.

De satan moet doorgehad hebben dat God samen met Adam en Eva begonnen was met het terugveroveren van zijn schepping en hij laat het er niet bij zitten. Hij gaat in de tegenaanval. Hij doet dat door Eva geraffineerd voor te liegen en te overtuigen dat God gelogen had toen hij zei dat de mens zou sterven als hij van de vrucht at. Hij beweert juist het tegenovergestelde: “Gij zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad “. Eva geloofde als eerste satan, maar uiteindelijk eten zij alle twee van de vrucht en bemerken te laat dat God de waarheid toch heeft gesproken.

De zondeval van Adam, als gevolg van het eten van de vrucht, heeft als consequentie dat hij met Eva uit het paradijs wordt verdreven. God, die nog wel met hem spreekt, kan hem niet meer gebruiken voor de uitvoering van Zijn plan. Door de mislukking van Adam komt de aarde onder de vloek en is het paradijs gesloten. “En tot Adam zeide Hij: Dewijl gij geluisterd hebt naar de stem uwer vrouw, en van dien boom gegeten, waarvan Ik u gebood, zeggende: Gij zult daarvan niet eten; zo zij het aardrijk om uwentwil vervloekt; en met smart zult gij daarvan eten al de dagen uws levens. Ook zal het u doornen en distelen voortbrengen, en gij zult het kruid des velds eten. In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt; want gij zijt stof, en gij zult tot stof wederkeren. Voorts noemde Adam den naam zijner vrouw Heva, omdat zij een moeder aller levenden is. En de HEERE God maakte voor Adam en zijn vrouw rokken van vellen, en toog ze hun aan. Toen zeide de HEERE God: Ziet, de mens is geworden als Onzer een, kennende het goed en het kwaad! Nu dan, dat hij zijn hand niet uitsteke, en neme ook van den boom des levens, en ete, en leve in eeuwigheid. Zo verzond hem de HEERE God uit den hof van Eden, om den aardbodem te bouwen, waaruit hij genomen was. En Hij dreef den mens uit; en stelde cherubim tegen het oosten des hofs van Eden, en een vlammig lemmer eens zwaards, dat zich omkeerde, om te bewaren den weg van den boom des levens.” (Genesis 3:17-24).