5.3 De brief van Jacobus

Hiervoor is gezegd dat in de hele Bijbel wordt verteld dát God de zondaar zal rechtvaardigen. De brief van Paulus aan de Romeinen legt uit hóé God dat doet. In het gedeelte dat we tot nu toe uit deze brief hebben besproken, legt Paulus uit hoe deze rechtvaardiging plaatsvindt: door de rechtvaardiging uit het geloof van Christus.

Daarom begint het volgende gedeelte van de brief ook met de woorden: “Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede met God door onze Here Jezus Christus.” In Rom. 4 heeft Paulus uitgelegd dat Abraham uit het geloof gerechtvaardigd werd, nog voordat hij besneden was.

Rechtvaardiging vindt dus plaats zonder werken, zonder de wet en zonder besnijdenis. Toch staat in Jac. 2:21 dat Abraham uit werken gerechtvaardigd werd. Het gaat daar om zijn bereidheid om Isaak te offeren.

Deze twee uitspraken zijn niet met elkaar in strijd. In Jac. 2:23 zegt Jacobus namelijk hetzelfde als Paulus. Ook Paulus zegt dat geloven en werken niet van elkaar losgemaakt kunnen worden (o.a. Rom. 6:4, Efez. 4:1 en Hebr. 11:17 e.v.).

Geloven en vanuit dat geloof werken betekent niet dat iemand de werken van de wet doet. Het betekent dat iemand vanuit zijn geloof bijna automatisch de dingen doet die daarbij vanzelfsprekend horen. Het is daarbij belangrijk dat de bedoeling achter die werken niet is: dit doe ik voor God en daarom zal God wel blij met mij zijn en mij ervoor belonen.

Goede werken doen met het doel daarmee de hemel te verdienen, zoals de rooms-katholieke kerk volgens deze tekst leert, is een verkeerde uitleg van wat Paulus leert. Het is ook niet wat Jacobus bedoelt.

Eveneens onjuist is volgens deze tekst de gedachte die in “zware” protestantse kerken wordt aangehangen, namelijk dat God een zonde onmiddellijk bestraft en dat iemand vervolgens goede werken moet doen, dus Gods geboden moet gehoorzamen, om die straf te ontgaan. Zonder dat dit misschien de bedoeling is, ontstaat hierdoor het beeld van een God met een soort kasboek, waarin goede en verkeerde daden tegen elkaar worden weggestreept.

Er bestaat dus geen tegenstelling tussen de opvattingen van Paulus en Jacobus. Het verschil zit in de manier waarop zij hun lezers benaderen.

Paulus schrijft aan de gemeente in Rome. Deze gemeente had duidelijk een wettisch karakter gekregen door de invloed van de Joodse christenen. Door hun invloed kwam veel nadruk te liggen op de wet en op het doen van de werken van de wet.

Tegen deze Joodse christenen zegt Paulus dat Abraham nog niet besneden was en de wet nog niet had. Abraham werd alleen door zijn geloof gerechtvaardigd.

Dat geloof en werken tegelijkertijd niet van elkaar losgemaakt kunnen worden, en dat wanneer het ene aanwezig en werkzaam is het andere dat ook is, bespreekt Paulus later in zijn brief. Daar legt hij uit wat onder werken uit het geloof moet worden verstaan. Daarmee bedoelt hij beslist niet het houden van de wet of andere formele zaken.

Jacobus richt zijn brief aan de twaalf stammen in de verstrooiing, dus alleen aan Joden. Zijn brief is een van de oudste geschriften van het Nieuwe Testament. Uit de inhoud blijkt dat Jacobus bang is dat zijn lezers terugkeren naar het verstandelijke geloofsbegrip van het Jodendom.

Daarbij gaat het om schriftgeleerden die voor allerlei situaties regels hadden opgesteld op basis van de wetten van het Oude Testament. Door hun manier van handelen ontkenden zij volgens deze uitleg juist het wezen van het geloof. Er ontstond een lippen- en vormendienst: aan de buitenkant werden woorden en vormen gevolgd, maar er vond geen echte bekering van het hart plaats.

De manier van denken van de twee groepen aan wie Paulus en Jacobus schrijven, lijkt dus sterk op elkaar. Ook denken beide schrijvers in principe hetzelfde. Toch benaderen Paulus en Jacobus het probleem van “geloof en denken” op een verschillende manier.

Er is daarom geen sprake van teksten die elkaar tegenspreken. Het verschil heeft te maken met de persoonlijkheid van beide schrijvers en daardoor met hun verschillende manier van benaderen.

De angst van Jacobus voor een traditionele benadering van geloofszaken, zoals bij de Farizeeën en schriftgeleerden, is door de eeuwen heen binnen het christendom blijven bestaan. Volgens deze tekst is die angst terecht. In iedere tijd zijn er namelijk formalisten geweest die regels, die eigenlijk bedoeld waren om zaken goed en ordelijk te laten verlopen, een te belangrijke plaats hebben gegeven.

Een regel die bedoeld was om te dienen, wordt dan zelf de heerser.

Een gevolg daarvan is dat niet langer Gods woord het belangrijkste is, maar de uitleg en commentaren die mensen over dat woord hebben geschreven. Daardoor kan Gods woord zelf uiteindelijk niet meer of onvoldoende bekend zijn.

Zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament lezen we verschillende keren dat er bij de Israëlieten onvoldoende kennis aanwezig is. Dat is een ernstige zaak, want aan de Joden zijn de Woorden Gods toevertrouwd (Rom. 3:2). Zij hebben bovendien de taak om deze woorden door te geven aan de heidenen.

Opvallend is in dit verband dat Jezus Zijn tijdgenoten verwijt dat zij geen kennis hebben van onderwerpen die ook tegenwoordig bijna als verboden geestelijk terrein kunnen worden behandeld, terwijl juist over deze onderwerpen vaak vragen ontstaan. Voorbeelden daarvan zijn wedergeboorte en wederkomst.

Samenvatting

  • De Bijbel vertelt dát God zondaren rechtvaardigt. Paulus legt in Romeinen uit hóé dit gebeurt: door rechtvaardiging uit het geloof van Christus, zonder werken, wet of besnijdenis.
  • Paulus en Jacobus spreken elkaar volgens deze uitleg niet tegen. Geloof en werken horen bij elkaar, maar werken uit geloof zijn iets anders dan werken doen om rechtvaardiging of een beloning bij God te verdienen.
  • Paulus benadrukt tegenover de wettisch beïnvloede gemeente in Rome dat Abraham door geloof gerechtvaardigd werd. Jacobus waarschuwt zijn Joodse lezers juist tegen een verstandelijk geloof dat alleen uit regels en uiterlijke vormen bestaat.
  • Regels kunnen zo belangrijk worden dat zij gaan heersen in plaats van dienen. Dan kunnen menselijke commentaren belangrijker worden dan Gods woord zelf.
  • De Joden zijn de Woorden Gods toevertrouwd en moeten deze doorgeven aan de heidenen. Onvoldoende kennis van Gods woord is daarom een ernstige zaak.
  • Jezus verwijt Zijn tijdgenoten volgens deze uitleg gebrek aan kennis van geestelijke onderwerpen waarover ook tegenwoordig vaak vragen bestaan.
  • Wedergeboorte en wederkomst worden genoemd als voorbeelden van zulke onderwerpen.