In de Bijbel hebben de woorden vader, zoon en verwekken in de eerste plaats te maken met het erfrecht, dus met de vraag wie een erfenis ontvangt. Pas in de tweede plaats gaan deze woorden over voortplanting en lichamelijke afkomst.
Mensen die geloven, worden daarom zonen van Abraham genoemd. Dat betekent hier dat zij erfgenamen zijn. Abraham wordt de vader van de gelovigen genoemd en is in die betekenis de erflater, degene van wie de erfenis afkomstig is.
De erfenis waarover Paulus hier spreekt, is de belofte die God aan Abraham heeft gegeven (vs. 13). De gelovigen erven deze belofte (vs. 16). Daarbij maakt het niet uit of zij uit de besnijdenis zijn of onbesneden zijn. Het maakt ook niet uit of zij uit de wet zijn of tot de heidenen behoren. De wet en de besnijdenis zijn voor het ontvangen van deze erfenis dus niet bepalend (vs. 13-16). Voor God is Abraham de vader van allen die geloven (vs. 17).
In vs. 17 wijst Paulus niet alleen vooruit naar vs. 24, maar ook naar vs. 19. Vanuit menselijk standpunt konden Abraham en Sara vanwege hun hoge leeftijd geen kinderen meer krijgen. Wat het krijgen van kinderen betreft, waren zij als het ware dood. Maar God kan ervoor zorgen dat zij toch een kind krijgen. Hij kan hen levend maken en doen wat menselijk gezien onmogelijk is. God kan handelen tegen alle menselijke logica en verwachtingen in. Daarom spreekt Paulus over geloven “tegen hoop op hoop” in.
Aan het einde van dit gedeelte legt Paulus uit dat het verhaal in Genesis, waarin staat dat Abrahams geloof hem als rechtvaardigheid werd toegerekend, niet alleen is opgeschreven om Abraham te laten zien als vader van de gelovigen.
Het verhaal is ook voor ons geschreven. Ook ons geloof zal ons als rechtvaardigheid worden toegerekend. Het gaat daarbij om ons geloof in God, die Jezus heeft overgeleverd om onze zonden, wat het einde van het oude betekent, en Hem heeft opgewekt om onze rechtvaardiging, wat het begin van het nieuwe betekent.
Samenvatting
- De woorden vader, zoon en verwekken hebben hier in de eerste plaats te maken met erfrecht: Abraham is de vader en gelovigen zijn zijn erfgenamen.
- De erfenis is Gods belofte aan Abraham. Wet en besnijdenis bepalen niet wie deze belofte ontvangt.
- Abraham en Sara konden menselijk gezien geen kind meer krijgen, maar God kan levend maken en het menselijk onmogelijke tot stand brengen.
- Het verhaal van Abraham is ook voor ons geschreven: zoals zijn geloof hem als rechtvaardigheid werd toegerekend, zo wordt ook ons geloof in God ons als rechtvaardigheid toegerekend. Jezus werd overgeleverd om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardiging.