Dat God de mens door geloof rechtvaardigt en niet door werken, en dat Hij zowel de God van de Joden als van de heidenen is (Rom. 3:28-31), legt Paulus in Rom. 4 verder uit aan de hand van Abraham.
Een Jood zou zich namelijk op Abraham kunnen beroepen en kunnen wijzen op zijn trouw en standvastigheid. Maar de vraag is: heeft Abraham God behaagd “naar het vlees” (vs. 1) of door zijn werken (vs. 2)? Met andere woorden: behaagde Abraham God door wat hij als mens was of door wat hij uit eigen kracht presteerde?
Als dat zo zou zijn, zouden de Joden zich op Abraham kunnen beroemen. Maar zelfs dan zou Abraham bij God nog geen reden hebben om te roemen. Abraham heeft namelijk niets gedaan waarmee hij zijn rechtvaardigheid heeft verdiend. Bij God heeft hij roem vanwege zijn geloof, dus vanwege zijn gehoorzaamheid, en niet vanwege de werken die hij als mens, “in het vlees”, tot stand heeft gebracht.
Het gaat dus niet om: Abraham deed wat God zei. Het gaat om: Abraham geloofde wat God zei.
Volledig doen wat God zegt, is voor een mens onmogelijk, omdat een mens niet volmaakt is. Doen wat God zegt, betekent namelijk dat iemand helemaal leeft zoals God dat eist. Het gaat daarbij niet om één enkele keer dat iemand toevallig, geleid of op een andere manier iets doet wat God vraagt. Alleen Christus heeft volledig kunnen leven zoals God dat eist.
Om te proberen te doen wat God zegt, moet een zondig mens zelf aan het werk. Maar een zondaar die vanuit zichzelf aan het werk gaat, gaat zondigen. Daarom is de wet volgens deze uitleg ook geen regel waarmee een mens zichzelf rechtvaardig kan maken door ernaar te leven. De wet is in de eerste plaats het woord van God dat geloofd moet worden (Rom. 9 en 10).
Gehoorzaam zijn, dus geloven, is ook een vorm van doen. Maar dit doen komt niet vanuit de mens zelf. Dat is wel het geval bij werken die “in het vlees” tot stand worden gebracht.
Die menselijke werken zijn in dit verband onbelangrijk. Een mens kan er niet door behouden worden, maar hij kan er volgens deze redenering ook niet door veroordeeld worden en verloren gaan. Want als iemand op grond van zijn werken veroordeeld zou kunnen worden, zou het ook mogelijk moeten zijn dat hij op grond van zijn werken behouden wordt. Dan zou behoud uiteindelijk een soort boekhoudkundige kwestie worden, waarbij goede en verkeerde werken tegenover elkaar worden gezet.
Als een mens verloren gaat, is dat vanwege zijn ongeloof. Als een mens behouden wordt, is dat vanwege zijn geloof. Gods woord laat volgens deze uitleg geen andere mogelijkheid open.
In vs. 3 staat niet dat Abraham in zichzelf rechtvaardig was. Ook staat er niet dat God hem eenvoudig als rechtvaardig zag door zijn fouten door de vingers te zien. Er staat dat God Abraham rechtvaardig rekende. God rekende zijn geloof tot rechtvaardigheid.
Volgens deze uitleg maakt Gods manier van rekenen het mogelijk dat het geloof van Christus aan Abraham en aan ons wordt toegerekend als rechtvaardigheid. Zo geldt: een gelovige = een rechtvaardige.
Vs. 4 legt vervolgens opnieuw uit wat er gebeurt wanneer iemand werkt. Door te werken ontstaat er bij degene voor wie het werk wordt gedaan een schuld tegenover degene die het werk heeft uitgevoerd. Die schuld wordt vervolgens betaald door loon te geven. Loon is daarom een recht en geen gunst.
Abraham heeft zijn rechtvaardiging niet door werken verdiend alsof deze rechtvaardiging zijn loon was. Zijn rechtvaardiging werd hem op grond van zijn geloof toegerekend als een gunst, dus als genade.
Vs. 5 zegt vervolgens heel duidelijk dat een mens niet moet proberen door werken zijn rechtvaardiging als loon te verdienen. Hij moet geloven en ontvangt zijn rechtvaardiging dan als een gunst.
Wanneer een mens probeert door zijn werken rechtvaardiging als loon te krijgen, plaatst hij zichzelf in een positie waarin God verplicht zou zijn hem loon te geven. Dat is een verkeerde positie van de mens tegenover God.
Daarom geldt: niet werken om rechtvaardiging te verdienen, maar geloven. Het is óf werken, óf geloven.
Wanneer een mens ophoudt te proberen zijn rechtvaardiging door werken te verdienen en in plaats daarvan gaat geloven, houdt God ook op hem zijn werken toe te rekenen. God heeft ons niet rechtvaardig gemaakt. Daarom zondigen wij nog steeds. Hij heeft ons wel rechtvaardig verklaard. Daarom worden onze zonden vergeven.
God rekent ons rechtvaardigheid toe op basis van het geloof van Christus, in wie wij geloven. Ons eigen geloof maakt uit zichzelf geen rechtvaardigheid, want ook aan ons geloof ontbreekt nog het een en ander.
Rechtvaardiging is daarom niet mogelijk door werken, niet door de wet en ook niet door de besnijdenis.
Daarom wijst Paulus er in vs. 10 nadrukkelijk op dat Abraham door zijn geloof gerechtvaardigd werd toen hij nog niet besneden was. Op dat moment was hij nog een heiden. Pas daarna kreeg Abraham op grond van zijn geloof de opdracht om zich te laten besnijden.
De besnijdenis van het vlees is een teken. Deze uiterlijke besnijdenis verwijst naar de besnijdenis van het hart, waarmee geloof en wedergeboorte worden bedoeld. De lichamelijke besnijdenis is op zichzelf dus geen teken dat iemand door geloof gerechtvaardigd is (vs. 11).
Doordat Abraham al vóór zijn besnijdenis geloofde én later lichamelijk besneden werd, is hij de vader geworden van zowel de onbesnedenen, de heidenen, als de besnedenen, de Joden (vs. 11 en 12).
Abraham is daarmee de vader van zowel de Joodse christenen als de christenen uit de heidenen in Rome.
Samenvatting
- Abraham werd niet gerechtvaardigd vanwege zijn werken of eigen prestaties, maar omdat hij geloofde wat God zei.
- Een mens kan volgens deze uitleg niet door werken behouden of veroordeeld worden. Verloren gaan hangt samen met ongeloof en behouden worden met geloof.
- Rechtvaardiging is geen loon dat een mens verdient. Zij wordt als gunst en genade toegerekend aan degene die gelooft.
- God heeft gelovigen niet rechtvaardig gemaakt, want zij zondigen nog steeds, maar Hij heeft hen rechtvaardig verklaard en vergeeft daarom hun zonden.
- De rechtvaardigheid die God toerekent, is gebaseerd op het geloof van Christus, in wie de mens gelooft. Het eigen geloof van de mens maakt zelf geen rechtvaardigheid.
- Abraham werd gerechtvaardigd voordat hij besneden was. De lichamelijke besnijdenis kwam pas daarna en is een teken dat verwijst naar de besnijdenis van het hart.
- Daardoor is Abraham de vader van zowel onbesnedenen als besnedenen, en dus van zowel de heiden-christenen als de Joden-christenen in Rome.