4.4 Gods woord wijst de weg

Omdat Paulus als apostel namens God spreekt en daarbij stevige oordelen uitspreekt, heeft hij in het voorafgaande gedeelte steeds op verschillende manieren ongeveer hetzelfde gezegd. Daarmee wil hij vooral heel duidelijk maken dat God rechtvaardig is wanneer Hij oordeelt.

Jezus zegt: “Ik ben de weg”. Paulus wil als het ware een wegwijzer zijn die mensen naar die weg wijst. Steeds opnieuw blijkt dat hij bang is dat mensen toch de verkeerde weg zullen kiezen. Tegen de Joodse christenen zegt hij eigenlijk voortdurend: de wet is de verkeerde weg. Jullie hebben deze weg echter zo lang gevolgd, dat jullie bijna automatisch geneigd zijn om hem opnieuw in te slaan.

Daarom zegt Paulus sommige dingen verschillende keren. Hij zegt ze als het ware vier keer, in de hoop dat ze ten minste één keer goed worden begrepen.

Dat verklaart ook waarom hij in Rom. 4 zoveel nadruk legt op Abraham en op de belofte die Abraham van God kreeg, tegenover de wet en de besnijdenis. Abraham geloofde God. Uit andere brieven weten we dat Paulus Abraham hoger aanslaat als vader van de gelovigen dan als stamvader van de Joden. Vóór Paulus deden Jezus en Johannes de Doper dit ook al.

De N.B.G.-vertaling geeft in vs. 9: “Worden anderen boven ons gesteld?” Opnieuw verschilt deze vertaling daarmee van andere vertalingen. De Statenvertaling heeft: “Zijn wij uitnemender?” De Engelse vertaling geeft: “Are we better”, oftewel: “Zijn wij beter?” De Friese vertaling zegt: “Hawwe wy hwat foar”, wat betekent: “Hebben wij iets vóór?”

Ook in dit vers stelt Paulus zelf een vraag om daarna zelf het antwoord te kunnen geven. Zijn vraag komt hierop neer: hoe zit het dan? Hebben wij Joden iets vóór op de anderen? Hebben wij een betere positie doordat de woorden van God aan ons zijn toevertrouwd?

Paulus antwoordt: helemaal niet. Hij heeft in het voorafgaande gedeelte immers zowel de Joden als de Grieken ervan beschuldigd dat zij zondaren zijn.

Uit de gedeelten van het Oude Testament die Paulus daarna aanhaalt (vs. 10-18), wordt duidelijker wat hij bedoelde met het voorrecht uit vs. 2. Zowel Joden als Grieken zijn zondaren en hebben verlossing nodig. Het voorrecht van de Joden is echter dat zij uit de woorden van God kunnen weten dat zij onrechtvaardig zijn. Uit diezelfde woorden kunnen zij ook weten hoe God hen wil rechtvaardigen.

Aan het begin is al gezegd dat in het Oude Testament staat dat God zondaren rechtvaardigt. In de Brief aan de Romeinen wordt uitgelegd hoe God dat doet. Hier wordt dit verder verklaard.

Ook in het Oude Testament staat hoe God zondaren rechtvaardigt, maar daar is het verborgen aanwezig. Paulus legt als schriftgeleerde uit hoe dit in het Oude Testament gelezen kan worden. In de woorden van God staat immers het evangelie van God over Zijn Zoon (Rom. 1:1-3).

De wet die in vs. 19 spreekt, betekent hier het Oude Testament, dus de woorden van God. De teksten die Paulus hiervoor aanhaalt, komen voor het grootste gedeelte uit de Psalmen. Het gebruik van het woord “wet” als aanduiding voor het Oude Testament is niet typisch voor Paulus. Ook Jezus noemt in Joh. 10:34 het Oude Testament de wet. Het citaat dat Jezus daar gebruikt, komt uit Ps. 82.

In vs. 10-18 gebruikt Paulus verschillende teksten uit de woorden van God die aan de Joden waren toevertrouwd om zijn uitleg duidelijk te maken.

Zo wordt in vs. 10 gezegd dat niemand rechtvaardig is. Alleen God is rechtvaardig. Ondertussen probeert de Jood de wet te houden om daardoor gerechtvaardigd te worden. Zijn houding zou je kunnen samenvatten als: Heer, ik doe mijn best. Maar voor God gaat het erom dat iemand rechtvaardig is. De rest telt voor Hem niet.

De onrechtvaardigheid van de mens blijkt volgens deze verzen uit verschillende dingen: niemand is verstandig, niemand zoekt God, niemand doet wat goed is, iedereen is afgeweken en iedereen is onnut geworden.

In vs. 11 zegt Paulus duidelijk dat een mens God moet zoeken, omdat God de mens niet zoekt. God heeft Zich in Zijn woord geopenbaard en dat is voldoende. Hij hoeft daarnaast niet ook nog de mens te gaan zoeken. De mens moet God zoeken, en God is te vinden in de woorden van God.

Maar volgens vs. 12 zijn de Joden van deze woorden van God afgeweken. Daardoor vinden zij God niet en zijn zij onnut geworden. Jood-zijn heeft namelijk nut wanneer een Jood Gods woord volgt (vs. 1,2).

In de volgende verzen laat Paulus zien waaruit dat afwijken blijkt. In vs. 13 worden verschillende delen van de mond genoemd: de keel, de tong en de lippen. In vs. 14 gaat het over de mond zelf. Het onderwerp is dus wat er uit de mond van een mens komt: zijn woorden.

Uit de mond van de mens komen leugen en dood. Jezus heeft hierover eveneens gesproken (Matth. 15:11 en 15:18-20). Uit de mond van God komen daarentegen waarheid en leven (Matth. 4:4).

Het addergif, of “slangenvenijn” zoals de Statenvertaling het noemt, verwijst hier naar de slang in het paradijs. Satan is de vader van de leugen (Joh. 8:44), met zijn belofte: “Gij zult als God zijn.”

Niet alleen de woorden van de mens brengen dood. Ook zijn daden brengen dood (vs. 15). Daartegenover staat de weg van de vrede, die leven geeft (Joh. 14:6).

In vs. 18 wordt dit als het ware samengevat: kies voor het leven en niet voor de dood (Deut. 30:15,19 en 20). Wie wijs is, zal dit begrijpen. Het begin van de wijsheid is namelijk de vreze des Heren (Ps. 111:10 en Spr. 9:10). Maar er is geen vreze des Heren. Daarom is er geen wijsheid en zal uiteindelijk voor de dood worden gekozen.

In vs. 19 en 20 sluit Paulus het eerste gedeelte van zijn brief af. Alles wat het Oude Testament zegt, is gericht tot degenen die onder de wet zijn, dus tot de Joden.

Het doel van het spreken van de wet is dat de Jood goed leert begrijpen wat zonde is. De wet maakt de zonde bekend. Daardoor moet hij ook gaan inzien dat hij door het doen van de werken van de wet niet rechtvaardig voor God kan worden.

Zo wordt de Joden de mond gesnoerd. Uit de woorden van God moeten zij leren dat zij Gods straf verdienen.

Door de val van Adam is de mensheid voor God “strafwaardig” geworden. Israël kreeg de mogelijkheid om deze straf te ontgaan, maar moest daarvoor aan bepaalde voorwaarden voldoen: “Indien gij.., dan zal Ik…”. Deze voorwaarden werden in de wet vastgelegd.

Israël heeft die wet echter niet kunnen volbrengen. Daardoor is Israël net zo “strafwaardig” geworden als de rest van de mensheid, hoe goed de Israëlieten misschien ook hun best hebben gedaan.

Voor andere mensen kan iemand eventueel door het houden van de wet als rechtvaardig worden beschouwd. Voor God kan een mens echter niet door de wet gerechtvaardigd worden. Rechtvaardiging voor God is alleen mogelijk door geloof.

Over deze rechtvaardiging door geloof gaat Paulus verder spreken in het volgende gedeelte van zijn brief.

Samenvatting

  • Paulus benadrukt steeds opnieuw dat de wet niet de weg tot rechtvaardiging is. Daarom wijst hij op Abraham, die God geloofde.
  • Joden hebben voor God geen betere positie dan Grieken. Hun voorrecht is dat Gods woorden aan hen zijn toevertrouwd, waardoor zij hun onrechtvaardigheid én Gods weg tot rechtvaardiging kunnen kennen.
  • Met “de wet” bedoelt Paulus in vs. 19 het Oude Testament. Uit deze woorden blijkt dat niemand uit zichzelf rechtvaardig is en dat woorden en daden van mensen dood kunnen voortbrengen.
  • De mens moet God zoeken in Zijn woorden. De Joden zijn daarvan afgeweken en missen daardoor het doel van hun bijzondere voorrecht.
  • De wet heeft tot doel duidelijk te maken wat zonde is en dat een mens door werken van de wet niet voor God gerechtvaardigd kan worden.
  • Door de val van Adam is de mensheid strafwaardig geworden. Israël ontving de wet, maar kon haar niet volbrengen en werd daardoor eveneens strafwaardig.
  • Een mens kan voor God niet door de wet gerechtvaardigd worden. Rechtvaardiging voor God is alleen mogelijk door geloof. Daarover gaat Paulus in het vervolg verder.