4.3 Gods rechtvaardigheid

In vs. 4 haalt Paulus vervolgens een gedeelte uit Gods woord aan. De onreinheid van de onrechtvaardigheid van de mens maakt de reinheid van Gods rechtvaardigheid juist extra duidelijk. Anders gezegd: de ontrouw en het ongeloof van de mens bevestigen in feite hoe trouw God is.

Na deze aanhaling volgt een menselijke vraag: is God wel rechtvaardig wanneer Hij de mens Zijn toorn laat voelen en de onrechtvaardigheid van de mens veroordeelt? In vs. 5 en vs. 7 wordt eigenlijk dezelfde vraag gesteld.

Het antwoord is duidelijk. Gods woord zegt dat God de wereld zal oordelen. God is rechtvaardig en spreekt daarom Zijn oordeel uit over de onrechtvaardigheid van de mens. Hij doet dit omdat Hij Zich houdt aan Zijn woord. Als God anders zou handelen dan Hij heeft gezegd, zou Hij onrechtvaardig zijn of zou Zijn woord onbetrouwbaar zijn.

Paulus plaatst hier heel duidelijk God tegenover de mens:

trouw/geloof van God – ontrouw/ongeloof in Israël, vs. 3; waarachtigheid van God – leugenachtigheid van de mens, vs. 4; rechtvaardigheid van God – onrechtvaardigheid van de mens, vs. 5.

In vs. 8 gaat Paulus vervolgens in op een beschuldiging die sommigen tegen hem uiten. Zij beweren dat Paulus eigenlijk zegt: laat je onrechtvaardigheid dan maar zo groot mogelijk worden, want daardoor wordt de rechtvaardigheid van God alleen maar duidelijker zichtbaar.

Paulus wil tegen zo’n conclusie uit zijn woorden zelfs niet argumenteren. Wie deze conclusie trekt en Paulus ervan beschuldigt dat hij zoiets leert, heeft volgens hem helemaal niet begrepen wat hij bedoelt en wordt terecht veroordeeld.

De redenering van deze mensen komt hierop neer: God zou de mens eigenlijk niet mogen oordelen. Door de leugenachtigheid van de mens komt Gods waarachtigheid immers nog sterker naar voren. De ongerechtigheid van de mens zou dan als het ware een goed werk met een goed resultaat zijn, omdat daardoor Gods rechtvaardigheid nog duidelijker zichtbaar wordt. Als dat waar zou zijn, zou God volgens deze redenering geen reden hebben om de mens als zondaar te oordelen.

Wie zo redeneert, begrijpt er volgens Paulus echter niets van. God oordeelt mensen als zondaren omdat zij zondaren zijn én omdat God heeft gezegd dat Hij zal oordelen. Gods oordeel komt omdat Hij het heeft gezegd, en God zal altijd doen wat Hij zegt.

Of een zonde uiteindelijk misschien een goed resultaat heeft of niet, is daarom niet waar het om gaat.

Paulus’ redenering kan duidelijk worden gemaakt met het volgende voorbeeld. Stel dat iemand een gierig mens doodt. Na zijn dood krijgen zijn erfgenamen zijn geld en gebruiken zij dat geld om veel goede dingen te doen. De moord heeft dan uiteindelijk een gevolg waardoor anderen goede dingen kunnen doen. Maar zou een rechter rechtvaardig zijn als hij de dader vanwege dat goede gevolg vrijspreekt van moord?

Samenvatting

  • De ontrouw en het ongeloof van de mens maken volgens Paulus juist duidelijker zichtbaar dat God trouw, waarachtig en rechtvaardig is.
  • God is rechtvaardig wanneer Hij oordeelt, omdat Hij daarmee doet wat Hij in Zijn woord heeft gezegd.
  • Paulus wijst de gedachte af dat mensen dan net zo goed meer onrecht zouden kunnen doen, zodat Gods rechtvaardigheid nog duidelijker zichtbaar wordt.
  • Een goed gevolg maakt een verkeerde daad niet goed. Zoals een moord niet rechtvaardig wordt doordat de erfgenamen daarna met het geld van het slachtoffer goede dingen doen, zo verandert een mogelijk goed gevolg van de zonde niets aan Gods oordeel over die zonde.