Maar als het bezit van de wet uiteindelijk alleen maar tot arrogantie leidt, en als de besnijdenis als teken dat iemand is opgenomen in het verbond met Abraham geen nut heeft, welk voordeel heeft het dan nog om Jood te zijn? Die vraag stelt Paulus in Rom. 3:1.
Na alles wat Paulus hiervoor heeft gezegd, is het logisch dat deze vraag naar voren komt. Paulus gebruikt hier een manier van spreken die verderop in zijn brief vaker voorkomt. Hij stelt zelf een vraag, zodat hij daarna het antwoord kan geven dat hij duidelijk wil maken. Deze manier van spreken komt ook vaak voor in toespraken. Een spreker kan bijvoorbeeld zeggen: “Nu zult u vragen…….” Vervolgens geeft hij antwoord op een vraag die zijn luisteraars in werkelijkheid helemaal niet hebben gesteld. De vraag zelf is dan niet het belangrijkste. Het gaat vooral om het antwoord dat de spreker daarna geeft.
Paulus stelt deze vraag natuurlijk niet om vervolgens te antwoorden dat de Jood helemaal geen bijzondere of bevoorrechte positie heeft. Als dat zijn antwoord zou zijn, zou het weinig zin hebben om de vraag te stellen.
Tot nu toe heeft Paulus wel principieel iedere voorrang van de Jood afgewezen. Toch weet hij als Jood dat de Joden bepaalde voorrechten hebben. Zij moeten deze voorrechten echter wel op de juiste manier gebruiken. Doen zij dat niet, dan kunnen diezelfde voorrechten juist nadelen worden en hen in de weg gaan staan.
In Rom. 3:2 zegt Paulus daarom dat de Joden in elk opzicht veel voorrechten hebben. Hij noemt hier meteen het belangrijkste voorrecht. Andere voorrechten van de Joden komen later ter sprake in Rom. 9:4,5.
Het belangrijkste voorrecht van de Jood is dat de woorden van God aan hem zijn toevertrouwd. Daardoor kan hij de heilige Schriften kennen waarover Paulus in Rom. 1:2 spreekt. In deze Schriften wordt Gods rechtvaardigheid geopenbaard: de rechtvaardige zal uit geloof leven.
In de woorden van God die aan de Joden zijn toevertrouwd, staan ook de opdrachten die God aan Zijn volk heeft gegeven. Daarin worden de beloningen genoemd die het volk zal ontvangen wanneer het aan deze opdrachten voldoet. Maar daarin staan ook de straffen die zullen volgen wanneer het volk niet doet wat God heeft opgedragen.
Aan de Joden was bovendien de weg tot verzoening bekendgemaakt. Zij wisten ook dat zij de opdracht hadden gekregen om hun kennis van deze weg door te geven aan de andere volken, de heidenen.
Paulus heeft hiervoor al duidelijk gemaakt dat verzoening niet bereikt kan worden langs de weg van de wet en de besnijdenis. Nu begint hij het onderwerp in te leiden dat later in de brief verder wordt uitgewerkt: verzoening kan alleen tot stand komen door het evangelie van de rechtvaardiging door het geloof.
Aan het begin van vs. 3 vertaalt de N.B.G.-vertaling: “Wat toch is het geval?”. Volgens deze uitleg is dat geen juiste vertaling. De N.B.G.-vertaling is ook de enige vertaling die de grondtekst op deze manier vertaalt. Het gevolg daarvan is dat de tekst moeilijker wordt gemaakt dan hij eigenlijk is.
Er staat: “Want wat zou het” of ook: “Want wat doet het ertoe”.
Vs. 3 kan dan als volgt worden gelezen: “Want wat doet het ertoe dat er onder hen zijn die ontrouw geworden zijn (aan de woorden Gods)? Hun ontrouw zal de trouw van God niet tenietdoen.”
God blijft trouw aan Zijn woord. Wat Hij in Zijn woord heeft gezegd, daar houdt Hij Zich aan. Dat geldt zelfs tegenover Zijn Zoon in de Hof van Gethsémané, waar Jezus vraagt om een verandering van Gods plan. In die situatie is Jezus werkelijk mens. De gedachte of het verlangen dat God vanwege iets of iemand niet aan Zijn woord zou vasthouden, is puur menselijk.
De gelovige wordt in de eerste plaats vastgehouden omdat God Zelf Zich aan Zijn woord houdt. Een mens kan het Woord van God ontkennen en het zelfs voor een leugen houden, maar God beschouwt Zijn woord als waarheid.
De mens houdt zich niet aan de woorden van God en heeft daarom verlossing nodig. God houdt Zich wél aan Zijn woord en daarom wordt de mens verlost.
Samenvatting
- Paulus heeft de voorrang van de Jood afgewezen, maar zegt tegelijkertijd dat de Joden wel belangrijke voorrechten hebben.
- Hun belangrijkste voorrecht is dat de woorden van God aan hen zijn toevertrouwd. Daardoor konden zij de heilige Schriften en Gods weg tot verzoening kennen.
- Paulus maakt duidelijk dat verzoening niet bereikt wordt door wet en besnijdenis, maar door het evangelie van de rechtvaardiging door het geloof.
- De ontrouw van mensen maakt Gods trouw niet ongedaan. De mens heeft verlossing nodig omdat hij zich niet aan Gods woorden houdt, terwijl God trouw blijft aan Zijn woord.