De gemeente van Rome bestond uit christenen met een Joodse achtergrond en christenen uit de heidenen, dus uit niet-Joodse volken. Vanaf het ontstaan van deze gemeente hadden de Joodse christenen er veel invloed.
In het jaar 50 werden de Joden door keizer Claudius uit Rome verbannen. Na zijn dood in het jaar 54 keerden de Joden terug naar Rome. Onder hen waren ook Joodse christenen. Zij wilden verdergaan waar zij vóór hun vertrek waren gebleven en wilden dat de gemeente opnieuw de oude koers zou volgen.
Uit de brief aan de Romeinen blijkt dat de christenen uit de heidenen het daar niet mee eens waren. Daardoor waren er binnen de gemeente spanningen en problemen ontstaan.
De Joden en Romeinen hadden op bepaalde punten ideeën die op elkaar leken. Voor de Joden was de wet erg belangrijk. Ook de Romeinen waren sterk gericht op wetten en regels, al ging het bij beide groepen natuurlijk om verschillende wetten. Wanneer de gemeente de oude koers zou blijven volgen, zou daardoor ook binnen het evangelie de wet een belangrijke plaats krijgen. Het gevolg daarvan was dat het evangelie steeds zakelijker werd benaderd en dat de nadruk steeds meer op de moraal kwam te liggen, dus op wat een mens wel en niet behoort te doen.
Daarnaast voelden de Joden zich, als Gods uitverkoren volk, belangrijker dan de heidenen. Ook de Romeinen konden zich belangrijker voelen dan andere volken, omdat zij deel uitmaakten van een volk dat over een groot deel van de wereld heerste.
Het ligt voor de hand dat de gemeente van Rome door deze omstandigheden een bijzonder karakter kreeg. In de ogen van Paulus was dit zelfs een gevaarlijk karakter. Dit zal voor hem een belangrijke reden zijn geweest om, tegen zijn eigen principe in (Rom. 15:20), toch deze brief aan de gemeente in Rome te schrijven.
In Rom. 1:18-32 heeft Paulus eerst aan de heiden-christenen laten zien wat een heiden zonder Christus is. Vervolgens heeft hij in Rom. 2:1-11 tegen de Joodse christenen gezegd dat Joden die Jezus van Nazaret niet als de Messias aanvaarden, voor God gelijkstaan met de heidenen.
Bij God is geen aanzien des persoons. Daarmee wordt bedoeld dat God mensen niet verschillend beoordeelt omdat zij bijvoorbeeld Jood of heiden zijn. Een Jood zonder Christus staat voor God gelijk aan een heiden zonder Christus. Op dezelfde manier staat een Jood die tot geloof in Christus is gekomen voor God gelijk aan een heiden die tot geloof in Christus is gekomen.
Toch zou het kunnen gebeuren dat de Joodse christenen zich belangrijker of beter voelden dan de heiden-christenen. Zij behoorden immers tot een bijzonder volk dat zich kon beroemen op zijn afstamming van Abraham. Bovendien had dit volk van God de wet en de besnijdenis ontvangen.
In Rom. 2:12-29 rekent Paulus met deze gedachte af. Volgens deze uitleg helpt het bezit van de wet de Joden niet om hierdoor een hogere positie te krijgen. Ook de besnijdenis helpt hen daarbij niet.
De wet is door Christus volbracht en geldt daarom niet meer. Wanneer iemand toch verwacht rechtvaardig voor God te worden door aan de eisen van de wet te voldoen, ontkent hij daarmee het werk van Christus. Zie hierover ook Gal. 5:4.
De besnijdenis heeft alleen nut wanneer iemand de wet houdt. Maar het volledig houden van de wet is voor een mens een onmogelijke opdracht. Door het werk van Christus is het bovendien niet meer nodig om langs deze weg rechtvaardig te worden.
De besnijdenis naar het vlees, dus de uiterlijke en lichamelijke besnijdenis, is daardoor waardeloos geworden. Deze moet worden vervangen door de besnijdenis van het hart. Daarmee worden hier geloof en wedergeboorte bedoeld.
Het bezit van de wet is voor de Joden daarom eerder een nadeel dan een voordeel. Het gevaar bestaat namelijk dat deze bijzondere positie leidt tot opgeblazenheid, waarbij iemand zichzelf belangrijker vindt dan anderen. Uiteindelijk kan dit zelfs leiden tot godslastering (Rom. 2:17-24).
Samenvatting
- De gemeente van Rome bestond uit Joodse en niet-Joodse christenen. Tussen deze groepen waren spanningen ontstaan over de koers van de gemeente.
- Zowel bij de Joden als bij de Romeinen speelden wetten een belangrijke rol. Daardoor dreigde ook binnen het evangelie de nadruk sterk op wet en moraal te komen liggen.
- Paulus maakt duidelijk dat God geen onderscheid maakt tussen Jood en heiden: zonder Christus staan zij gelijk voor God, en door geloof in Christus eveneens.
- Volgens Paulus geven de wet, de afstamming van Abraham en de besnijdenis de Joodse christenen geen hogere positie.
- Christus heeft de wet volbracht. Wie rechtvaardiging verwacht door zelf aan de eisen van de wet te voldoen, ontkent volgens deze uitleg het werk van Christus.
- De uiterlijke besnijdenis moet plaatsmaken voor de besnijdenis van het hart, waarmee geloof en wedergeboorte worden bedoeld.
- Het bezit van de wet kan volgens Paulus zelfs een nadeel worden wanneer het leidt tot opgeblazenheid en uiteindelijk tot godslastering.