3.4 De besnijdenis baat de joden niet

Ook het teken van Gods verbond, de besnijdenis, helpt de joden op zichzelf niet. De joden zouden namelijk nog trots kunnen zijn op het feit dat zij besneden zijn. Paulus zegt echter dat besneden zijn alleen betekenis heeft wanneer iemand de wet houdt. Zo iemand is een dader van de wet, en gelooft dus. Als dit niet het geval is, maakt het volgens Paulus geen verschil meer of iemand besneden of onbesneden is.

In Rom. 4 wijst Paulus erop dat Abraham eerst geloofde en daarom gerechtvaardigd was voor God. Pas daarna werd Abraham besneden. Door de besnijdenis behoort een Israëliet tot het verbondsvolk van God, maar die besnijdenis is alleen het uiterlijke teken en zegel daarvan.

Later kreeg dit verbondsvolk de wet. Het volk moest zich aan die wet houden. Daarom heeft de besnijdenis alleen nut wanneer iemand ook de wet houdt. Hoe het daarmee in werkelijkheid staat, heeft Paulus al duidelijk gemaakt in Rom. 2:12-24. Alleen voor daders van de wet, dus voor mensen die geloven, zou de besnijdenis nut hebben.

De daders van de wet zullen gerechtvaardigd worden (vs. 13), op de dag waarop God de verborgen dingen zal oordelen (vs. 16). Het gaat hierbij dus om de verborgen dingen en niet om de dingen die aan de buitenkant zichtbaar of openbaar zijn. Paulus zegt dit in vs. 28 en 29 nog eens heel duidelijk.

Openlijk, dus zichtbaar aan het lichaam, besneden zijn heeft geen waarde. Het gaat erom dat iemand in het verborgene besneden is, dus besneden in het hart (vs. 29).

In vs. 27 zegt Paulus dat degenen die in hun hart besneden zijn, terwijl zij lichamelijk onbesneden zijn, de wet volbrengen door hun leidsman, Christus. Zij zullen daardoor oordelen over degenen die de wet overtreden, hoewel die mensen zowel de wet als de besnijdenis hebben gekregen met het doel dat zij zouden geloven.

Ook Jezus wijst de gedachte af dat de wet een verzameling eisen is waaraan een mens moet voldoen om voor God rechtvaardig te zijn. Jezus spreekt over “uw wet” en “hun wet” (Joh. 8:17, 10:34 en 15:25), en niet over “onze wet”.

Een gelovige wordt gerechtvaardigd uit geloof (Rom. 5:1), niet uit werken van de wet.

Aan het begin van hoofdstuk 3 wijst Paulus de joden nog wel op hun belangrijkste voorrecht. Het evangelie van God is namelijk in de heilige Schriften beloofd (Rom. 1:2), en juist deze Schriften zijn aan de joden toevertrouwd. Daardoor zou het voor hen gemakkelijker moeten zijn om tot geloof te komen dan voor anderen. De christen-joden in Rome hadden van dit voorrecht gebruikgemaakt!

Paulus zegt dezelfde dingen kort en krachtig in zijn brief aan de Galaten:

“Nogmaals betuig ik aan ieder, die zich laat besnijden, dat hij verplicht is de gehele wet na te komen. Gij zijt los van Christus, als gij door de wet gerechtigheid verwacht; buiten de genade staat gij. Wij immers verwachten door de Geest uit het geloof de gerechtigheid, waarop wij hopen” (Gal. 5:3-5).

Samenvatting

  • Besnijdenis heeft volgens Paulus alleen betekenis wanneer iemand de wet houdt, een dader van de wet is en dus gelooft.
  • Abraham werd eerst door zijn geloof gerechtvaardigd en werd pas daarna besneden. De besnijdenis is het uiterlijke teken en zegel van het behoren tot het verbondsvolk.
  • Het gaat niet om iets wat alleen uiterlijk zichtbaar is. Paulus spreekt over besneden zijn in het hart, dus in het verborgene.
  • Een gelovige wordt gerechtvaardigd uit geloof en niet uit werken van de wet. Paulus benadrukt dezelfde gedachte ook in Gal. 5:3-5.