3.3 De joden en de wet

In vs. 17 richt Paulus zich vervolgens rechtstreeks tegen de joden. Hij richt zich daarbij vooral tegen de joden in de gemeente van Rome die blijkbaar denken dat zij belangrijker zijn dan de christenen uit de heidenen in diezelfde gemeente. Zij denken dit omdat zij jood zijn, omdat zij op de wet vertrouwen en omdat zij op God roemen. In het gedeelte van de brief dat hierna volgt, komt daar nog bij dat zij besneden zijn.

De joden denken dat zij door hun kennis van de wet beter dan de niet-joden weten wat God wil. Volgens hun manier van denken zijn de niet-joden blind, leven zij in de duisternis en zijn zij onwijs en onwetend. De joden denken daarom dat zij voor hen een leidsman, een licht, een onderrichter en een leermeester moeten zijn. Zij denken dit omdat de kennis en de waarheid van de wet binnen het jodendom zichtbaar vorm hebben gekregen.

Paulus gaat tegen deze gedachte in. Daarbij verwijst hij naar wat hij eerder in vs. 13 heeft geschreven. Hij zegt opnieuw dat de joden wel hoorders van de wet zijn, maar geen daders van de wet. Zij kennen en horen de wet dus wel, maar doen niet wat de wet van hen vraagt.

Door hun gedrag wordt zelfs de naam van God gelasterd. Deze gedachte vinden we ook in Jes. 52:5, Ezech. 36:23 en 2 Sam. 12:14.

Bij het laatstgenoemde Bijbelgedeelte is het belangrijk om te zien waardoor Gods naam werd gelasterd. Gods naam werd niet gelasterd door het overspel van David, want dat gebeurde in het verborgene (2 Sam. 12:12). Andere mensen hadden dit dus niet gezien. Gods naam kan niet door iemand worden gelasterd op grond van iets wat niemand heeft gezien.

De naam van God werd volgens deze uitleg gelasterd door de dood van Uria en zijn mannen (2 Sam. 11:27 en 12:9). De heidenen zagen dat Uria en zijn mannen verslagen konden worden. Voor hen was dit een bewijs dat de God van Israël blijkbaar toch niet zo machtig was als de Israëlieten beweerden.

Samenvatting

  • Paulus richt zich tegen joden die vanwege hun afkomst, kennis van de wet en vertrouwen op God denken dat zij meer zijn dan de christenen uit de heidenen.
  • Zij denken dat zij door hun kennis van de wet een leidsman, licht, onderrichter en leermeester voor de niet-joden moeten zijn.
  • Paulus zegt dat zij wel hoorders van de wet zijn, maar geen daders. Door hun gedrag wordt Gods naam gelasterd.
  • Bij David gebeurde dit volgens de gegeven uitleg niet door zijn verborgen overspel, maar door de dood van Uria en zijn mannen. Daardoor konden heidenen denken dat de God van Israël minder machtig was dan Israël beweerde.