We gaan verder waar we de vorige keer gebleven waren: bij Handelingen 2, in de toespraak van de apostel Petrus. Hij leest daar een gedeelte uit de profeet Joël voor. Dat stuk begint in Handelingen 2 vers 16:
“Maar dit is het wat gesproken is door de profeet Joël: En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God: Ik zal van mijn Geest uitstorten op alle mensen. Jullie zonen en dochters zullen profeteren, jongeren zullen visioenen zien en ouderen zullen dromen dromen…”
Petrus legt uit dat de bijzondere dingen die op die Pinksterdag gebeuren, zodat de aanwezigen Gods grote daden horen in hun eigen taal, niet komen doordat de discipelen dronken zijn, zoals sommigen denken. Hij zegt dat dit te maken heeft met wat Joël heeft aangekondigd.
Maar veel mensen vinden het moeilijk om te begrijpen waarom Petrus juist dit gedeelte uit Joël aanhaalt. Want als je Joël leest, lijkt het vooral te gaan over gebeurtenissen rond de wederkomst van Christus, de dag van de Heer, en de verwoesting van Jeruzalem. Dat zijn dingen die nog niet gebeurd zijn. Hoe kan Petrus dan zeggen: “Dit is wat Joël heeft gesproken”?
Om dat te begrijpen moeten we eerst iets belangrijks weten: In het Oude Testament wordt bijna nooit duidelijk onderscheid gemaakt tussen de eerste komst van Christus en zijn tweede komst. De profeten zagen de komst van de Messias als één geheel. Pas later, in het Nieuwe Testament, wordt duidelijk dat er een lange periode tussen zit — een periode die in het Oude Testament verborgen was.
Zelfs Jezus laat dat zien wanneer Hij uit Jesaja leest. Hij stopt midden in een zin en zegt: “Vandaag is dit Schriftwoord vervuld.” Als Hij verder had gelezen, zou het gaan over de dag van Gods oordeel, en dat was toen nog niet aan de orde. Zo zie je dat één profetie soms twee verschillende momenten beschrijft: eerst de komst van Christus, en veel later zijn wederkomst.
Dat geldt ook voor Joël 2. Joël spreekt over de komst van de Messias, het nieuwe verbond, de uitstorting van de Heilige Geest, en uiteindelijk over de dag van de Heer. Die hele reeks hoort bij de komst van de Messias, maar niet alles gebeurt op één dag. Sommige dingen gebeuren bij zijn eerste komst, andere bij zijn wederkomst.
Petrus haalt Joël aan omdat de komst van de Messias al begonnen is. Jezus is opgestaan uit de dood, verheerlijkt, en heeft van de Vader de Heilige Geest ontvangen. Dat is precies wat Joël had aangekondigd: God zou zijn Geest uitstorten. Dat begint bij Jezus zelf, en daarna bij iedereen die gelooft.
Petrus zegt dus niet dat alles uit Joël al vervuld is. Hij zegt: dit is wat Joël bedoelde — dit is het begin van wat hij heeft aangekondigd.
Joël zegt dat God zijn Geest zal uitstorten op “alle vlees”, dus op alle mensen. Dat betekent dat er een tijd komt waarin iedereen die leeft gelovig zal zijn en de Geest zal ontvangen. Dat gebeurt uiteindelijk wanneer Christus zijn koninkrijk openbaart. Dan blijven alleen gelovigen over; de rest wordt weggenomen, zoals in de dagen van Noach.
Maar het moet ergens beginnen. En het begint bij Jezus, op de dag van zijn opstanding. Hij is de eerste die de Geest ontvangt. Daarom wordt Hij genoemd: de eerstgeborene uit de doden, de eersteling, het hoofd van de gemeente.
Vanaf dat moment ontvangt iedereen die gelooft de Heilige Geest. Dat is wat Petrus op Pinksteren zegt: wie gelooft, ontvangt de Geest. Dat is precies wat Joël heeft aangekondigd.
Johannes legt dat ook uit in Johannes 7:
“Dit zei Jezus over de Geest, die zij zouden ontvangen die in Hem geloven. Want de Heilige Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was.”
Pas na Jezus’ opstanding wordt de Geest gegeven. Daarom konden gelovigen in het Oude Testament nog niet wedergeboren worden. Ze moesten wachten op de eersteling: Christus.
Daarna verzamelt Jezus een gemeente van eerstelingen — mensen die als eersten deel krijgen aan zijn leven. Dat duurt lang, maar dat is precies wat de Bijbel zegt: bij God is één dag als duizend jaar. Petrus noemt dat Gods geduld.
Wij leven nu in de tijd waarin Christus verborgen is. Hij is in de hemel, wij zijn met Hem verbonden, maar de wereld ziet dat niet. Wij verwachten niet dat Hij nog moet komen, maar dat wij met Hem geopenbaard zullen worden.
De profetie van Joël loopt door tot aan de wederkomst. Het eerste deel — de komst van de Messias, de uitstorting van de Geest — is al begonnen. Het laatste deel — de tekenen aan de hemel, de dag van de Heer — moet nog komen.
Joël zegt dat zon en maan verduisterd zullen worden voordat de dag van de Heer begint. Dat is nog niet gebeurd. Dat hoort bij de verwoesting van Jeruzalem aan het einde van de zeventigste week van Daniël. Jezus noemt dat ook in Mattheüs 24: na de grote verdrukking worden zon en maan verduisterd, en dan verschijnt de Zoon des mensen.
Openbaring 6 beschrijft hetzelfde: een grote aardbeving, verduistering van zon en maan, en dan de dag van Gods oordeel.
Daarom is het logisch dat Petrus Joël aanhaalt: de profetie gaat over de hele periode van de komst van de Messias — van zijn opstanding tot zijn wederkomst. Het eerste deel is begonnen, het laatste deel komt nog.
Joël zegt ook dat zonen en dochters zullen profeteren, jongeren visioenen zullen zien en ouderen dromen zullen dromen. Dat gebeurde in de eerste generatie van de kerk. De apostelen waren profeten, en ook anderen profeteerden. Maar zodra de Bijbel compleet was, stopte dat. De profetie had zijn doel bereikt: het fundament was gelegd. Nu bouwt de gemeente verder op dat fundament.
In de toekomst zullen er nog twee profeten optreden — de twee getuigen uit Openbaring 11 — maar verder is er geen nieuwe profetie nodig. Alles wat God wil zeggen staat al in de Bijbel.
Joël beschrijft dus de hele nieuwtestamentische tijd: eerst de verborgen periode waarin Christus zijn gemeente verzamelt, daarna de openbaring van zijn koninkrijk, en uiteindelijk de dag van de Heer.
Petrus zegt: “Dit is wat Joël heeft gesproken.” En dat klopt. De komst van de Messias is begonnen, de Geest is gegeven, en de rest zal volgen.
Tot zover hebben we gezien dat bepaalde nieuwtestamentische waarheden in het Oude Testament nog verborgen waren. Juist daarom waren er profeten nodig toen de nieuwtestamentische tijd begon. Zij moesten die verborgen dingen bekendmaken en vervullen. Dat is precies wat Paulus zegt, en zelfs Jezus gebruikt diezelfde woorden.
In Handelingen komen we verschillende profeten tegen: zonen, dochters, mannen en vrouwen. Sommigen worden bij naam genoemd, anderen niet. Maar het idee is duidelijk: in de eerste tijd van de gemeente gebruikte God profeten om zijn nieuwe werk bekend te maken.
Toch is er iets belangrijks: de Bijbel zegt dat hij compleet is. Er staat zelfs bij dat wie er iets aan toevoegt, vervloekt zal worden. Dat betekent dat er nu geen ruimte meer is voor nieuwe profeten die nieuwe openbaringen brengen. Als iemand zich vandaag profeet noemt, zijn er maar twee mogelijkheden: of hij zegt alleen wat al in de Bijbel staat — dan is hij geen profeet, of hij zegt iets buiten de Bijbel — en dan spreekt de Bijbel een vloek uit.
Daarom heeft men in onze tijd de betekenis van “profeet” vaak opgerekt, zodat men toch nog iemand profeet kan noemen. Maar eerlijk is dat niet. De Bijbel zelf zegt dat de profetie al in de tijd van de apostelen is gestopt. Dat staat duidelijk in 1 Korinthe 13 en 14. God herhaalt zich niet als alles al gezegd is. Zeker niet in onze tijd, waarin Hij zich verbergt. Onze bedeling wordt juist gekenmerkt door het feit dat de Heer zich terugtrekt en niet zichtbaar ingrijpt.
In de eerste generatie van de gemeente waren er profeten, dat was logisch. Maar daarna hield het op. Dat is niet moeilijk te begrijpen. In het Oude Testament zie je hetzelfde: na de terugkeer uit de Babylonische ballingschap stuurde God drie profeten — Haggai, Zacharia en Maleachi — en daarna bleef het vierhonderd jaar stil. Pas na de opstanding van Christus begon de nieuwtestamentische tijd, en toen kwamen er weer profeten. Daarom zit er een gat van vier eeuwen in de Bijbelse geschiedenis.
Johannes de Doper was de laatste grote oudtestamentische profeet. Daarna kwam Jezus, die de nieuwtestamentische profeet is. Maar na de eerste periode van de gemeente stopte de profetie opnieuw.
Een mooi voorbeeld vind je bij Mozes. Toen hij Israël uit Egypte leidde, stelde hij een raad van zeventig oudsten aan. Dat is een beeld van de gemeente. Toen die oudsten werden aangesteld, profeteerden ze — maar daarna niet meer. Waarom gebeurde dat? En waarom stopte het? In beide gevallen was het profetisch, een uitbeelding van wat God later zou doen. Het had geen praktisch nut, maar het liet zien dat God een groep eerstelingen zou verzamelen, net zoals Mozes een raad van oudsten verzamelde. In het begin werd er geprofeteerd, daarna niet meer. Zo eenvoudig is het.
Daarom zegt Joël dat zonen en dochters zullen profeteren, dat jongeren visioenen zullen zien en ouderen dromen zullen dromen. Dat gebeurde in de eerste tijd van de gemeente. En dromen in het Oude Testament hebben vaak te maken met onze huidige bedeling: je ziet iets echt, maar anderen zien het niet. Het gebeurt verborgen, niet openbaar. Dat past precies bij de tijd waarin Christus verborgen is.
Profetie kwam soms in dromen, zoals bij Jozef. Dromen gaan vaak over Gods werk in een tijd waarin dingen nog niet zichtbaar zijn voor de wereld. Paulus had ook dromen waarin de Heer hem de weg wees.
Joël zegt dat God zijn Geest zal uitstorten op dienstknechten en dienstmaagden. Dat betekent dat iedereen die de Heer dient — man of vrouw — door Hem gebruikt kan worden. In de eerste tijd van de gemeente gebeurde dat door profetie. Maar nu gebeurt het door het Woord dat we al hebben. De apostelen en profeten hebben het fundament gelegd. Dat fundament ligt er. Je kunt er niet nog een fundament bij leggen. Je kunt alleen verder bouwen.
Daarom geeft God nu geen profeten meer. Wat wij hebben zijn evangelisten, herders en leraars. Zij verkondigen en onderwijzen het Woord dat al gegeven is. Iemand die de Bijbel uitlegt, is geen profeet; hij bouwt op het fundament dat al gelegd is.
De vraag is dan: komen er in de toekomst, na de opname van de gemeente, weer profeten? In het algemeen denk ik van niet. Waarom zou dat nodig zijn? De Bijbel is compleet. Alles wat men moet weten voor die tijd staat er al in. Toch zijn er twee uitzonderingen: de twee getuigen uit Zacharia 4 en Openbaring 11. Zij zijn profeten en zullen in de toekomst optreden. Maar verder kom ik geen nieuwe profeten tegen.
Daarom denk ik dat Joël 2:18 vooral gaat over de eerste tijd van de gemeente, zoals we die in Handelingen zien.
Dan gaat Joël verder: God zal wonderen geven in de hemel en tekenen op aarde — bloed, vuur en rook. De zon zal verduisterd worden en de maan zal als bloed worden. Dat is nog niet gebeurd. Soms zien we bijzondere natuurverschijnselen, maar wat Joël beschrijft is veel groter: de verduistering van zon, maan en sterren. Dat wordt in Joël meerdere keren genoemd en ook in andere profetieën. Het is een belangrijk herkenningspunt in de profetische tijdlijn.
Die verduistering hoort bij het einde van de zeventigste week van Daniël, bij de verwoesting van Jeruzalem en de grote aardbeving die daarbij hoort. Dat is nog toekomst. Daarom ligt de onderbreking in de vervulling van Joël tussen vers 18 en 19. Het eerste deel is vervuld, het tweede deel nog niet.
Veel mensen denken in termen van “bedelingen”, alsof alles strikt gescheiden is. Maar zo werkt het niet. Het is één voortgaande ontwikkeling. Eerst wordt de gemeente verzameld, daarna gaat God verder met Israël, daarna komt de bekering van het Joodse volk, en zo loopt de profetie door.
Joël zegt dat de zon verduisterd wordt voordat de grote dag van de Heer komt. Die dag begint bij de komst van Christus op de Olijfberg. Dat wordt in veel profetieën genoemd. Jesaja, Joël, Zacharia, en ook Openbaring 6 spreken over verduistering van zon, maan en sterren. Dat markeert het einde van de zeventigste week van Daniël.
In Mattheüs 24 zegt Jezus hetzelfde: na de grote verdrukking worden zon en maan verduisterd, de sterren vallen, en dan verschijnt de Zoon des mensen. Daarna worden de geslachten van Israël verzameld. Dat is de periode van de dag van de Heer: eerst oordeel over Israël, daarna over de volken.
Openbaring 6 beschrijft dezelfde gebeurtenissen: aardbeving, verduistering, sterren die hun glans verliezen. Daarna staat er: “De grote dag van zijn toorn is gekomen.” Dat is de dag van de Heer.
De eerste zegels in Openbaring 6 beschrijven de gebeurtenissen in de zeventigste week: vrede, oorlog, honger, dood. Daarna komt de aardbeving en de verduistering. Dat is het einde van de week.
Daarom zegt Handelingen 2 dat Joël wordt aangehaald, maar dat de laatste verzen nog niet vervuld zijn. Ze horen bij de toekomst, tot aan het einde van de zeventigste week. Dan verschijnt de erfgenaam van de troon van David, reinigt het land, herbouwt Jeruzalem en vestigt zijn koninkrijk over de hele wereld.
Maar wat nu gebeurt — de uitstorting van de Geest, het ontstaan van de gemeente — is wel degelijk wat Joël heeft gesproken.
Samenvatting
- Petrus haalt op de Pinksterdag een profetie uit Joël aan. Veel mensen vinden dat vreemd, omdat Joël ook spreekt over gebeurtenissen die nog niet gebeurd zijn, zoals de dag van de Heer en de verwoesting van Jeruzalem. Maar Petrus bedoelt dat de komst van de Messias — waar Joël over spreekt — al begonnen is.
- In het Oude Testament wordt de eerste en tweede komst van Christus niet duidelijk onderscheiden. Joël beschrijft de hele periode van de komst van de Messias: eerst zijn opstanding en de uitstorting van de Geest, daarna de tijd waarin de gemeente wordt verzameld, en uiteindelijk zijn wederkomst en het oordeel.
- Jezus ontving als eerste de Heilige Geest bij zijn opstanding. Vanaf dat moment ontvangt iedereen die gelooft de Geest. Dat is het begin van de vervulling van Joël. De tekenen aan de hemel en de dag van de Heer moeten nog komen.
- De profetie van Joël loopt dus door tot aan de wederkomst. Petrus zegt terecht: “Dit is wat Joël heeft gesproken.” Het eerste deel is vervuld, het laatste deel komt nog.
- Joël voorspelt dat God zijn Geest zal uitstorten, dat mensen zullen profeteren, dromen en visioenen zullen zien. Dat gebeurde in de eerste tijd van de gemeente, omdat nieuwtestamentische waarheden toen nog verborgen waren. Profeten waren nodig om die bekend te maken. Maar zodra de Bijbel compleet was, stopte de profetie. Nu bouwt de gemeente op het fundament dat de apostelen en profeten hebben gelegd.
- Joël spreekt ook over grote tekenen: verduistering van zon, maan en sterren. Dat is nog niet gebeurd. Die gebeurtenissen horen bij het einde van de zeventigste week van Daniël, bij de verwoesting van Jeruzalem en de komst van Christus op de Olijfberg. Dat markeert het begin van de dag van de Heer, waarin God eerst Israël en daarna de volken oordeelt.
- Daarom is een deel van Joël al vervuld, en een deel nog niet. Petrus haalt Joël terecht aan: de komst van de Messias is begonnen, de Geest is gegeven, en de rest zal volgen.