De profetie die Daniël van de aartsengel Gabriël ontving, gaat over de toekomst van Israël na de Babylonische ballingschap. In deze profetie wordt gesproken over zeventig weken die zijn vastgesteld over het volk Israël en over de stad Jeruzalem. In de oorspronkelijke tekst staat niet het woord “week”, maar “zeven”. Daarmee wordt een periode van zeven jaar bedoeld, net zoals in Genesis 29:27 en Leviticus 25:8. Om onderscheid te maken gebruikt Daniël de term “weken der dagen” wanneer hij een gewone week bedoelt, bijvoorbeeld in Daniël 10:2,3. In de Statenvertaling staat dit duidelijk; in de NBG‑vertaling wordt “weken der dagen” weergegeven als “volle weken”.
Volgens Daniël 9:24 zullen na 490 jaar (70 weken van 7 jaar) de overtreding, zonde en ongerechtigheid voorbij zijn. In plaats daarvan zal er eeuwige gerechtigheid komen. Wanneer die eeuwige gerechtigheid er is, zal Israël zijn Messias aannemen en een leidende positie krijgen onder de volken. Dan zullen alle profetieën vervuld zijn.
Bij die eeuwige gerechtigheid hoort ook dat vergeving van zonden niet meer nodig is. Wanneer Petrus aan Jezus vraagt hoe vaak hij zijn broeder moet vergeven, antwoordt Jezus: niet zeven keer, zoals Petrus voorstelt, maar zeventig maal zevenmaal (Mattheüs 18:21,22). Dit verwijst naar dezelfde symboliek van Daniël.
Van de zeventig weken kennen we het begin (vers 25), het einde (vers 24) en de verdeling (7 + 62 + 1). Voor een goed begrip van de profetie is de NBG‑vertaling minder bruikbaar, omdat daarin staat dat er na 7 weken een gezalfde zal zijn, en 62 weken later opnieuw een gezalfde die zal worden uitgeroeid. In de grondtekst staat echter twee keer hetzelfde woord voor “messias”. Dat zou betekenen dat er twee messiassen zijn die bijna 400 jaar na elkaar optreden. Historisch is dat niet te verklaren, zeker niet omdat zeven jaar na de tweede messias de profetie voltooid zou moeten zijn en er eeuwige gerechtigheid zou moeten zijn. Om deze problemen te vermijden zeggen sommigen dat Daniël ongelijk heeft. Maar Jezus verwijst in Mattheüs 24:15 naar Daniël wanneer Hij over de eindtijd spreekt. Het is moeilijk te geloven dat Jezus zich zou baseren op een onbetrouwbare profeet.
Bij de bespreking van Mattheüs 24 zal verder worden ingegaan op de berekening van Daniëls profetie. Voor nu is het genoeg om te weten dat de profetie tot op de dag nauwkeurig is vervuld, maar dat er van de 70 jaarweken pas 69 voorbij zijn. Er moeten dus nog zeven jaren komen.
De 70e week kan niet direct volgen op de 69e. Als dat wel zo was, zouden de 70 weken rond het jaar 39 na Christus zijn geëindigd. Dan zouden overtreding, zonde en ongerechtigheid al bijna 2000 jaar geleden zijn verdwenen, en zou er eeuwige gerechtigheid zijn gekomen. Dat is duidelijk niet gebeurd. Daarom moet er tussen de 69e en 70e week een onderbreking liggen: een tussenperiode in Gods plan met Israël. Veel profeten hebben deze periode al aangekondigd.
Een beeld hiervan vinden we in Genesis 38. De geboorte van de tweeling van Tamar verloopt opvallend. Eerst steekt Zerach (zijn naam betekent “lichtglans” of “opgaan”) zijn hand naar buiten en krijgt een rode draad om zijn hand, als teken dat hij de eerstgeborene is. Maar hij trekt zijn hand terug en Peres (“breuk”) wordt als eerste geboren. De komst van Zerach wordt onderbroken door Peres. Zo is Zerach de eerste én de laatste, met een breuk ertussen. Dit lijkt op de twee komsten van de Messias: Zijn eerste komst en Zijn wederkomst, met een onderbreking ertussen.
Daniël noemt enkele gebeurtenissen die in deze tussenperiode zullen plaatsvinden, maar hij zegt niet hoe lang deze periode duurt. Gods klok voor Israël staat stil tussen de 69e en 70e week. Israël is in die tijd als het dode lichaam uit Ezechiël 37 en Mattheüs 24:28, waar staat: “Want alwaar het dode lichaam zal zijn, daar zullen de arenden worden vergaderd.”
Een teken dat de 70e week bijna begint, is dat de vijgenboom bladeren krijgt (Mattheüs 24:32). De vijgenboom is een symbool voor Israël. De dag na Palmzondag vervloekte Jezus de vijgenboom omdat hij geen vrucht droeg. De boom verdorde, en Jezus zei dat er geen vrucht aan zou komen tot in de eeuw (van Christus). Tot de 70e week zal Israël dus vruchteloos blijven (Mattheüs 21:18‑22).
Tijdens de onderbreking zijn de rentmeesterschappen van Paulus van kracht: die van de Genade Gods en die van de Verborgenheid. Ook is er de prediking onder de heidenen en het verborgen Koninkrijk met de verborgen Koning. De 70e week kan pas beginnen wanneer “de volheid der heidenen” is ingegaan (Romeinen 11:25). Dit wordt de opname van de Gemeente genoemd (1 Thessalonicenzen 4:13‑18).
Wat er in de laatste zeven jaren met Israël gebeurt, staat in Mattheüs 24 en 25 en vooral in Openbaring.
De 70e week bestaat uit twee perioden van 3½ jaar. De eerste periode is relatief rustig en wordt gekenmerkt door de prediking van twee getuigen, waarschijnlijk Mozes en Elia. Na hun dood volgt een periode van 3½ jaar van grote verdrukking (Openbaring 11:1‑14). Aan het einde van de 70e week komt Christus terug en dan wordt vervuld wat in Daniël 9:24 staat. Daarna begint het Vrederijk: het Koninkrijk der Hemelen, dat start met 1000 jaar onder Christus’ heerschappij, terwijl de satan gebonden is. De machthebber van de toekomende eeuw vervangt dan de machthebber van de tegenwoordige eeuw. Dit alles speelt zich af in de 70e week en gaat in de eerste plaats over Gods relatie met Israël.
Voor de rest van de mensheid kan het anders liggen. Teksten zoals Leviticus 12:1‑4, Mattheüs 24:22 en Openbaring 12:5 zouden kunnen wijzen op een periode van veertig jaar tussen de opname van de Gemeente en het begin van het Duizendjarig Rijk. De zeven jaar zijn de zeventigste week van Daniël. In de eerste helft prediken de twee getuigen in Israël en waarschuwen voor de verdrukking in de tweede helft. Israëlieten die hun woorden geloven, vluchten en maken de verdrukking niet mee. Aan het einde van de verdrukking bekeren zij zich en roepen de naam van de Heer aan. Jezus zegt dat de tijd van verdrukking wordt ingekort ter wille van de uitverkorenen (Israëlieten). Na zeven jaar is de verdrukking voor Israël voorbij, maar niet voor de andere volken.
Voor de andere volken zal er dan nog 33 jaar verdrukking zijn.
Het is echter onwaarschijnlijk dat er buiten Israël nog 33 jaar kwaad heerst terwijl Christus al op de Olijfberg is verschenen. De hele wereld zou via de media weten dat Hij terug is. Het ligt meer voor de hand dat die 33 jaar de beginperiode van het Duizendjarig Rijk vormen. In die tijd zijn er nog negatieve krachten naast positieve. Het onkruid groeit samen met het koren. Vooral in het begin van de 1000 jaar is dat zichtbaar, en daarom is een periode van 33 jaar “schoonmaak” nodig.
Daniël moest zijn profetie verzegelen tot de eindtijd. Volgens Openbaring 5 verbreekt het Lam Gods — Christus — in de eindtijd de zeven zegels van de boekrol. Wanneer Johannes in Openbaring 1:10 zegt dat hij “in de geest op de Dag des Heren” was, begint daarmee de laatste week van Daniël, aan het einde waarvan de Messias voor Israël komt. Hoe dit verloopt, staat in Openbaring, dat in principe bestemd is voor Israël, net als de Bergrede (Mattheüs 5‑7) en de brief van Jacobus.
Samenvatting
- Daniël ontvangt een profetie over 70 weken van 7 jaar, die de toekomst van Israël beschrijven.
- Na 490 jaar zullen zonde en ongerechtigheid verdwijnen en zal eeuwige gerechtigheid komen (Daniël 9:24).
- De profetie is tot op de dag nauwkeurig vervuld, maar slechts 69 weken zijn voorbij; de 70e week moet nog komen.
- Tussen de 69e en 70e week ligt een onderbreking in Gods plan met Israël.
- Deze onderbreking wordt symbolisch uitgelegd via de geboorte van Peres en Zerach (Genesis 38).
- Israël is in deze periode als een “dood lichaam” (Ezechiël 37; Mattheüs 24:28).
- De 70e week begint wanneer de “volheid der heidenen” is ingegaan (Romeinen 11:25), bij de opname van de Gemeente (1 Thessalonicenzen 4:13‑18).
- De 70e week bestaat uit twee perioden van 3½ jaar: eerst prediking door twee getuigen, daarna grote verdrukking (Openbaring 11).
- Aan het einde van de 70e week komt Christus terug en begint het Vrederijk van 1000 jaar.
- Mogelijk ligt er voor de volken buiten Israël een periode van 40 jaar tussen opname en Duizendjarig Rijk, waarvan 33 jaar verdrukking.
- Die 33 jaar kunnen ook de beginfase van het Duizendjarig Rijk zijn, waarin nog veel kwaad moet worden opgeruimd.
- Openbaring beschrijft hoe de laatste week verloopt en is vooral gericht op Israël.