Voordat Paulus in vers 16 begint met het hoofdonderwerp van de Romeinenbrief, maakt hij eerst een aantal opmerkingen die belangrijk zijn om goed te begrijpen.
In vers 8 wordt duidelijk dat Rome, de hoofdstad van het grote Romeinse rijk, belangrijker is geworden dan Jeruzalem, de hoofdstad van Israël. Daardoor zijn ook de heidenen belangrijker geworden dan de Joden. Wanneer mensen in Rome christen worden, hoort de hele wereld ervan. Daarom is de gemeente in Rome heel belangrijk voor de verspreiding van het evangelie.
Paulus wil graag naar Rome reizen om daar het evangelie te verkondigen en de gemeente te versterken, ook al is de gemeente niet door hemzelf gesticht (Romeinen 15:20).
In vers 15 zegt Paulus dat hij hoopt dat zijn verkondiging het evangelie van God nog verder zal verspreiden onder de inwoners van Rome. Uit Handelingen 28 weten we dat het na het schrijven van de Romeinenbrief nog vijf jaar duurde voordat Paulus daadwerkelijk in Rome aankwam en toen was hij gevangene. Hoe krachtig zijn prediking was, blijkt uit Handelingen 28:24. De christenen in Rome, waaronder Joden die tot geloof waren gekomen, hadden de leiders van de Joden niet kunnen overtuigen. Maar wanneer Paulus tot hen spreekt, komen sommigen wél tot geloof, terwijl anderen ongelovig blijven. Toch zal de boodschap van Paulus vrijwel hetzelfde zijn geweest als die van de gelovigen in Rome.
Paulus verkondigde het Koninkrijk van God en gaf onderwijs over de Heer Jezus Christus (Handelingen 28:31). De verkondigers in Rome zullen nauwelijks iets anders hebben kunnen vertellen.
In Handelingen 28:23 en 28 wordt kort weergegeven wat Paulus ongeveer gezegd moet hebben: het Koninkrijk van God zou gekomen zijn als Israël zich had bekeerd. Maar Israël heeft dat niet gedaan en zal dat voorlopig ook niet doen. Daarom wordt het heil, Gods redding, aan de heidenen gegeven, want zij zullen luisteren.
De bekering van Israël zal pas plaatsvinden bij de wederkomst van Christus. De discipelen vroegen naar het tijdstip daarvan, maar kregen geen direct antwoord (Handelingen 1:6,7). Aan Paulus is geopenbaard wat de Heer doet terwijl Hij wacht op Israëls bekering. Het Koninkrijk van God is nu verborgen in de hemel en samen met het Koninkrijk heeft ook de Koning, Christus, zich teruggetrokken. Een gelovige heeft dus niet te maken met een Heer die zichtbaar op aarde is, maar met een Heer die verborgen is in de hemel.
In de brieven van Paulus wordt steeds gesproken over de positie van dit Koninkrijk en over de onderbreking van de oprichting van het Koninkrijk op aarde. Wanneer Paulus spreekt over de zegeningen die gelovigen nu ontvangen, bedoelt hij dat hun leven in Christus verborgen is bij God (Kolossenzen 3:3). Gelovigen zijn gezegend met elke geestelijke, dus onzichtbare en nog niet geopenbaarde, zegen, niet hier op aarde, maar in de hemel, niet in zichzelf, maar in Christus (Efeziërs 1:3).
Dit zijn verborgenheden die aan Paulus zijn geopenbaard en die hij doorgeeft aan de gelovigen. Pas wanneer “de volheid van de heidenen” is binnengegaan, zal God zich weer met Israël als volk gaan bezighouden (Romeinen 11:25).
Dat opnieuw bemoeien met Israël, en dat binnengaan van de heidenen, zal plaatsvinden aan het begin van de zeventigste en laatste week voor Israël, zoals beschreven in de profetie van Daniël (Daniël 9:24‑27).
Samenvatting
- Rome is belangrijker geworden dan Jeruzalem, waardoor heidenen een grotere rol krijgen in de verspreiding van het evangelie.
- Paulus wil naar Rome om het evangelie te verkondigen en de gemeente te versterken.
- Zijn prediking blijkt krachtig: sommige Joodse leiders komen tot geloof wanneer hij spreekt (Handelingen 28:24).
- Paulus verkondigt het Koninkrijk van God en onderwijs over Jezus Christus (Handelingen 28:31).
- Het Koninkrijk zou gekomen zijn als Israël zich had bekeerd, maar dat gebeurde niet; daarom gaat het heil naar de heidenen (Handelingen 28:23,28).
- Israël zal zich pas bekeren bij de wederkomst van Christus (Handelingen 1:6,7).
- Het Koninkrijk is nu verborgen in de hemel, en gelovigen ontvangen geestelijke, hemelse zegeningen (Kolossenzen 3:3; Efeziërs 1:3).
- Deze verborgenheden zijn aan Paulus geopenbaard en worden door hem doorgegeven.
- God zal zich weer met Israël bezighouden wanneer de volheid van de heidenen is binnengegaan (Romeinen 11:25).
- Dit gebeurt aan het begin van de zeventigste week uit Daniëls profetie (Daniël 9:24‑27).