2.1 Aanhef van de brief

De brief aan de Romeinen begint, net als de andere brieven van Paulus, met een duidelijke opening. Paulus noemt zichzelf als afzender, hij richt de brief aan “de geliefden van God in Rome”, en hij begint met een groet: “genade en vrede”.

In Romeinen 1:1 zegt Paulus dat hij een dienaar van Christus Jezus is en dat hij door God geroepen is om apostel te zijn. Paulus gebruikt vaak de naam Christus Jezus, naast Jezus Christus (Romeinen 1:4). Voor hem verwijst Christus naar de opgestane Jezus. Paulus benadrukt dat deze opgestane Christus voor niet‑Joden (heidenen) belangrijker is dan de historische Jezus van Nazareth.

Paulus legt uit dat Christus de erfgenaam van Jezus is. Jezus was, als zoon van Jozef van Nazareth, erfgenaam van de koningslijn van David. Normaal gesproken zou na Jezus’ dood zijn broer Jacobus de erfgenaam zijn geweest. Maar in het hele Nieuwe Testament lezen we dat Christus wordt gezien als degene die uiteindelijk op de troon van David zal zitten. Door Zijn opstanding is Christus dus de erfgenaam van Jezus geworden.

Paulus noemt zichzelf een geroepen apostel. Net als de andere apostelen is hij door de Heer zelf geroepen, ook al vindt hij volgens 1 Korinthiërs 15:9 dat hij die titel eigenlijk niet verdient. Hij stond niet alleen in deze gedachte: in het begin waren de andere apostelen ook niet blij met Paulus’ roeping, maar dat veranderde snel (Galaten 1 en 2). In 2 Petrus 3:15 staat zelfs dat Petrus erkent dat Paulus inzicht heeft gekregen in dingen die voor hemzelf verborgen waren, namelijk de verborgenheden die volgens Deuteronomium 29:29 bij God horen.

Paulus zegt meerdere keren dat hij door God het beheer over deze verborgenheden heeft gekregen en dat hij het recht heeft om ze bekend te maken. Hij had als rentmeester een dubbele taak: hij was rentmeester van de verborgenheid én rentmeester van de genade van God. Dit staat in de Statenvertaling van Efeziërs 3:2, maar niet meer in de NBG‑vertaling. Door wat Paulus uitlegt en doorgeeft, worden Gods verborgenheden zichtbaar (Mattheüs 10:26; Marcus 4:22; Lukas 8:17).

Aan het begin van de Romeinenbrief noemt Paulus al een verborgenheid die hij moet verkondigen: het evangelie van God (Romeinen 1:1). Dat gaat over Zijn Zoon (Romeinen 1:3), Jezus Christus onze Heer (Romeinen 1:4). Volgens Romeinen 1:2 is dit evangelie al in het Oude Testament beloofd, dus het moet daar terug te vinden zijn. De vier evangeliën bestonden toen nog niet.

De brief is gericht aan de gelovigen in Rome. Paulus noemt hen “geliefden van God” en “geroepen heiligen” (Romeinen 1:7). Ze zijn geroepen door Christus (Romeinen 1:6), en Paulus noemt hen ook heidenen (Romeinen 1:5,6). Dat betekent dat de brief niet alleen bedoeld is voor Joodse gelovigen in Rome, maar ook voor niet‑Joodse gelovigen.

Paulus gebruikt de term heidenen, maar vaak spreekt hij over Grieken wanneer hij gelovige niet‑Joden bedoelt. Joden blijven Joden, of ze nu geloven of niet. Grieken zijn niet‑Joden die tot geloof zijn gekomen. De overige niet‑gelovige niet‑Joden noemt Paulus soms heidenen, soms zielen, soms mensen, maar nooit Grieken.

Deze heidenen (Romeinen 1:5,6) hebben geluisterd naar Gods roepstem. Daardoor zijn zij geheiligd en geliefden van God geworden.

In de aanhef van de brief gebruikt Paulus een begroeting die hij vaak toepast: “genade en vrede”. Genade is een Griekse wens, vrede een Joodse wens. Dit laat zien dat de gemeente in Rome bestond uit twee groepen christenen: Joden en heidenen. Na deze groet begint Paulus met de inhoud van zijn brief.


Samenvatting

  • Paulus opent de Romeinenbrief met een groet en noemt zichzelf dienaar van Christus Jezus en geroepen apostel.
  • Hij legt uit dat Christus de opgestane Jezus is en dat Hij door Zijn opstanding de erfgenaam van Jezus is geworden.
  • Paulus heeft van God het beheer gekregen over belangrijke verborgenheden en mag deze bekendmaken.
  • Het evangelie dat hij verkondigt is al in het Oude Testament beloofd.
  • De brief is gericht aan zowel Joodse als niet‑Joodse gelovigen in Rome, die door Christus zijn geroepen.
  • De begroeting “genade en vrede” laat zien dat de gemeente uit beide groepen bestaat.