Handelingen – Studie 3

We kijken opnieuw naar Handelingen hoofdstuk 1. We hebben stilgestaan bij de belofte van de Heilige Geest. Jezus verwijst in vers 4 naar een oude belofte: dat de discipelen binnenkort zouden worden gedoopt met de Heilige Geest. Maar er is een vraag die eigenlijk onder deze hele uitleg ligt, en daar hebben we nog niet bij stilgestaan. Die vraag staat in vers 6, en het eerste deel van het antwoord in vers 7. Dat vormt de achtergrond van alles wat Jezus hier zegt.

Als je Handelingen 1 leest, zie je dat vers 4 en 5 over de Heilige Geest gaan, en vers 8 ook. Maar vers 6 en 7 zitten er tussen als een soort uitleg tussendoor. De discipelen vragen namelijk: “Heer, zult U in deze tijd het koninkrijk voor Israël herstellen?” En Jezus antwoordt: “Het komt jullie niet toe de tijden of momenten te weten die de Vader in zijn eigen macht heeft gesteld.”

Deze tekst wordt vaak los van de context gebruikt, bijvoorbeeld om te zeggen dat we de wederkomst van Christus niet kunnen weten, of de opname van de gemeente. Maar daar gaat het hier helemaal niet over. Het gaat hier specifiek over de vraag: zal God nu het koninkrijk voor Israël herstellen?

Jezus geeft geen direct antwoord. Dat kan eigenlijk ook niet, want de vraag is te simpel gesteld. Wij weten dat het antwoord niet alleen met tijd te maken heeft. Volgens het Oude Testament komt het koninkrijk voor Israël namelijk pas wanneer het volk tot geloof komt en de naam van de Heer aanroept. God zal een nieuw verbond met Israël sluiten en het koninkrijk herstellen, maar dat gebeurt alleen als het volk zich bekeert.

De Bijbel zegt ook dat Israël uiteindelijk wél tot geloof zal komen. Dus het koninkrijk komt zeker, maar niet wanneer. De vraag “zal het nu gebeuren?” kun je dus ook anders stellen: “zal Israël nu tot bekering komen?” Dat maakt de vraag veel ingewikkelder.

De discipelen hadden bovendien de taak om het evangelie te prediken aan het Joodse volk, vooral in Jeruzalem. Petrus doet dat meteen in Handelingen 2. Hij leest uit Joël 2 en eindigt met: “Ieder die de naam van de Heer aanroept, zalig zal worden.” Dat is precies waar het om draait: Israël moet de naam van de Heer aanroepen.

Als je Joël 2 vers 32 opzoekt, zie je dat Petrus halverwege stopt. Het vers gaat verder: “Want op de berg Sion en in Jeruzalem zal ontkoming zijn, zoals de Heer gezegd heeft, bij het overblijfsel dat de Heer zal roepen.” Dat overblijfsel is het gelovige deel van Israël.

Wanneer zal Israël de naam van de Heer aanroepen? De Bijbel zegt: in de grote verdrukking. Daniël 12:1 zegt dat er een tijd van ongekende nood zal zijn, en dat Israël dan verlost zal worden. Dat is de tweede helft van de zeventigste week van Daniël, de laatste 3,5 jaar.

Aan het einde daarvan zal Israël in Jeruzalem de naam van de Heer aanroepen. Joël zegt dat daar ontkoming zal zijn. Zacharia 14 zegt dat de Heer dan zijn voeten zal zetten op de Olijfberg. Dat sluit precies aan bij Handelingen 1, waar de engelen zeggen dat Jezus op dezelfde manier zal terugkomen als Hij is weggegaan.

Zacharia 13 legt uit waarom dat gebeurt: God zal het volk louteren. De ongelovigen verdwijnen, de gelovigen blijven over. Dat gelovige overblijfsel zal Gods naam aanroepen. God antwoordt dan: “Het is mijn volk.” En het volk zal zeggen: “De Heer is mijn God.” Dat is de officiële bekering van Israël.

Daarom komt het koninkrijk pas wanneer Israël als volk de naam van de Heer aanroept. Niet wanneer een paar Joden dat doen, maar wanneer de officiële vertegenwoordiger van het volk dat doet. In de Bijbel zie je dat dit vaker gebeurt: Daniël doet belijdenis namens het hele volk, en Salomo doet dat bij de inwijding van de tempel. Zij waren de hoogste vertegenwoordigers van Israël.

In de toekomst zal dus een officiële leider van Israël – wie dat ook is – namens het volk belijdenis doen en de naam van de Heer aanroepen. Dan zal Jezus terugkomen. Dan zijn de zeventig weken vervuld.

Waarom mochten de discipelen dat niet weten? Omdat het afhing van de vraag of Israël in hun tijd tot geloof zou komen. Als Jezus had gezegd: “Nee, niet in jullie tijd,” dan zouden ze ontmoedigd zijn. Als Hij had gezegd: “Ja, wel in jullie tijd,” dan zouden ze misschien denken dat het vanzelf wel goed zou komen. Daarom zegt Jezus: “Het komt jullie niet toe dit te weten.”

Later, in 1 Thessalonicenzen 5, schrijft Paulus dat de gelovigen wél mogen weten hoe het zit met tijden en gelegenheden. Maar in Handelingen 1 was dat nog niet aan de orde.

De vraag van de discipelen kan dus niet simpel met ja of nee worden beantwoord. Jezus zou een koninkrijk oprichten, maar niet op dat moment, en niet zichtbaar. Hij zegt tegen Pilatus: “Mijn koninkrijk is niet van deze wereld… maar nu is mijn koninkrijk niet van hier.” Dat betekent: Hij heeft wel een koninkrijk, maar het is nu nog in de hemel. Later zal het op aarde zijn.

Lucas 17 zegt hetzelfde: het koninkrijk komt, maar niet zichtbaar. Je kunt niet zeggen: “Kijk, daar is het!” Want het koninkrijk is binnen in de gelovigen. Het is er dus wel, maar verborgen.

Handelingen 3 laat zien dat het koninkrijk pas openbaar wordt wanneer Israël zich bekeert. Petrus zegt: “Bekeer u… opdat tijden van verkwikking komen van het aangezicht van de Heer, en Hij Jezus Christus zal zenden.” De hemel moet Jezus ontvangen tot het moment dat alles wordt hersteld zoals de profeten hebben gezegd.

Dat gebeurt pas na de officiële bekering van Israël. En dat zal pas zijn na de grote verdrukking. Daarom gebeurt het vandaag niet. Zolang de gemeente op aarde is, komt Israël niet tot geloof. Dat staat onder andere in 2 Thessalonicenzen 2.

Laten we teruggaan naar Handelingen 1. De discipelen vragen: “Heer, zult U in deze tijd het koninkrijk voor Israël herstellen?” Die vraag kan op allerlei manieren worden opgevat. Misschien bedoelen ze het koninkrijk voor de tien stammen van Israël, of juist voor Juda, of voor Jozef. Er zijn veel mogelijke antwoorden, maar Jezus gaat daar niet op in. Hij zegt eigenlijk: voor jullie persoonlijk maakt het nu niet uit. Wat jullie moeten doen, blijft hetzelfde, ongeacht of Israël tot geloof komt of niet. Jullie taak is om te prediken: “Gij zult mijn getuigen zijn.”

Dat staat in vers 8, en daar waren we de vorige keer gebleven. Ze zouden getuigen zijn in Jeruzalem, in Judea (waar Jeruzalem de hoofdstad van was), en in Samaria. Samaria was zowel een stad als een gebied, net zoals “stad en ommeland”. Jeruzalem was de hoofdstad van het tweestammenrijk, Samaria van het tienstammenrijk. Volgens het Oude Testament zouden eerst de twee stammen tot geloof komen, daarna de tien stammen. Daarom moest het evangelie eerst naar Jeruzalem en Judea, daarna naar Samaria, en vervolgens naar de heidenen — tot aan het uiterste van de aarde.

Zo begon onze huidige tijd, de “bedeling van de verborgenheid” uit Efeze 3. De discipelen moesten in Jeruzalem blijven, want daar begon hun opdracht. Later, in Handelingen 8, komt het evangelie inderdaad in Samaria, en ontstaat daar een gemeente. Daarna breidt het zich uit naar de heidenen.

In de toekomst zal het precies hetzelfde gaan. Wanneer Israël tijdens de grote verdrukking tot bekering komt en Jezus het koninkrijk aan Israël opricht, begint dat opnieuw in Jeruzalem, dan Judea, dan Samaria, en daarna naar alle volkeren. Openbaring 7 noemt 144.000 getuigen uit Israël die het evangelie wereldwijd zullen brengen. De volgorde blijft dus hetzelfde.

De vraag “Zult U nu het koninkrijk oprichten?” maakt voor hun taak geen verschil. Of het nu wel of niet gebeurt: ze moeten getuigen zijn, en dat door de kracht van de Heilige Geest. Dat zal in de toekomst opnieuw zo zijn.

In Handelingen 2 citeert Petrus Joël 2. Sommigen vragen zich af of Petrus wel begreep waar Joël over sprak, want Joël gaat over de komst van het koninkrijk. Maar het maakt eigenlijk geen verschil: “Al wie de naam van de Heer aanroept, zal behouden worden.” Dat gold toen, en dat zal straks weer gelden. In Handelingen 2 was er ontkoming in Jeruzalem voor iedereen die geloofde, net zoals Joël zegt dat er ontkoming zal zijn voor het gelovige overblijfsel.

Ik heb zelf de indruk — hoe vaker ik Handelingen lees — dat de discipelen al vermoedden dat het koninkrijk in hun tijd niet zou komen. Ze vroegen Jezus eigenlijk om bevestiging. Zijn ontwijkende antwoord maakte waarschijnlijk veel duidelijk.

Jezus zegt dat ze getuigen zullen zijn in drie stappen: Jeruzalem, Judea, Samaria, en dan de heidenen. Dat is dezelfde volgorde waarin het koninkrijk zich in de toekomst zal uitbreiden: eerst in de hemel, dan in Jeruzalem, en van daaruit over de hele aarde.

Vanaf vers 9 gebeurt iets belangrijks. Jezus wordt opgenomen in de hemel. De discipelen zien het gebeuren, en twee mannen in witte kleding zeggen: “Deze Jezus zal op dezelfde manier terugkomen als jullie Hem hebben zien gaan.” Daarna gaan de discipelen terug naar Jeruzalem, vanaf de Olijfberg.

De Olijfberg is belangrijk. Lucas 24 vertelt dat Jezus hen naar Bethanië leidde — dat ligt bovenop de Olijfberg — en daar werd Hij opgenomen. Dat sluit aan bij Zacharia 14: “Zijn voeten zullen op de Olijfberg staan.” In Handelingen 1 verdwijnt Jezus daar, en in de toekomst zal Hij daar weer verschijnen.

De Olijfberg komt vaker voor in de Bijbel. David ging huilend de Olijfberg op toen hij uit Jeruzalem vluchtte (2 Samuël 15:30). Dat lijkt op wat er met Jezus gebeurt: Hij verlaat Jeruzalem, gaat naar de Olijfberg, en verdwijnt. Tijdens de dagen voor Zijn kruisiging kwam Hij ook steeds via de Olijfberg naar Jeruzalem, maar elke avond ging Hij weer terug naar Bethanië. Hij wilde als het ware niet in Jeruzalem blijven.

Ezechiël 11 vertelt dat de “heerlijkheid van de Heer” uit Jeruzalem vertrok en ging staan op de berg ten oosten van de stad — de Olijfberg. Dat beeld laat zien dat Gods aanwezigheid zich terugtrekt uit Israël. De Olijfberg wordt zo een symbool van de tijd waarin het koninkrijk niet in Israël is, maar buiten Israël — onze huidige tijd.

De Olijfberg staat dus voor de bedeling van nu: het koninkrijk van Christus is niet zichtbaar in Israël, maar verborgen, en aanwezig onder de gelovigen uit de volken. De Olijfberg ligt “voor Jeruzalem”, zegt Zacharia 14, en pas later zal het koninkrijk vanuit de Olijfberg terugkeren naar Jeruzalem.

Er zijn nog meer beelden. De vijgenboom die Jezus vervloekt, staat voor Israël dat geen vrucht draagt. De Olijfberg, waar dat gebeurde, staat voor het koninkrijk dat nu onder de heidenen is. Jezus zegt dat je tegen “deze berg” zou kunnen zeggen dat hij in de zee geworpen moet worden. De zee is in de Bijbel een beeld van de volken. De Olijfberg “in de zee” betekent: het koninkrijk bevindt zich nu onder de heidenen.

Bethanië betekent “mijn huis”. Dat past bij de gemeente, want wij zijn het huis van Christus. Lazarus, die daar woonde, is een beeld van Christus als hogepriester van het nieuwe verbond. Maria en Martha zijn beelden van twee soorten gelovigen: Martha staat voor leven onder de wet, Maria voor leven onder genade.

De ezel waarop Jezus reed is een beeld van de gemeente. De discipelen legden hun kleren op de ezel — een beeld dat de gemeente bekleed is met wat de discipelen (de apostelen) hebben gegeven. De ezel is ook een beeld van het gelovige overblijfsel van Israël: een dier dat de last niet graag draagt, dat de weg goed kent, dat goed hoort, en dat — zoals bij Bileam — zelfs kan spreken. En wat roept een ezel? De naam van de Heer.

Simson versloeg Filistijnen met een ezelskaak. Dat is een beeld van het woord van het gelovige overblijfsel.

Zo wordt de Olijfberg steeds opnieuw een beeld van onze huidige tijd. De geschiedenis van Jezus’ komst brak af op de Olijfberg, en zal daar in de toekomst worden hervat. Daarom is dit moment in Handelingen 1 niet alleen een teken van Zijn hemelvaart, maar ook een teken van Zijn wederkomst. De engelen zeggen het zelf: “Deze Jezus zal op dezelfde manier terugkomen.”

Natuurlijk Jan — hier is jouw samengevoegde samenvatting, nu netjes opgedeeld in bulletpoints zoals je vroeg.

Samenvatting

  • In Handelingen 1 vragen de discipelen of Jezus nu het koninkrijk voor Israël zal herstellen.
  • Jezus geeft geen direct antwoord en zegt dat zij de tijden niet mogen weten.
  • Het koninkrijk komt pas wanneer Israël als volk tot geloof komt en de naam van de Heer aanroept.
  • Het Oude Testament laat zien dat dit gebeurt aan het einde van de grote verdrukking.
  • Dan zal een officiële leider van Israël namens het hele volk belijdenis doen.
  • Op dat moment zal Jezus terugkomen, Zijn voeten op de Olijfberg zetten en het koninkrijk oprichten.
  • Tot die tijd is Zijn koninkrijk verborgen, niet zichtbaar, en in de hemel.
  • De discipelen mochten dit nog niet weten, zodat ze hun taak konden uitvoeren zonder ontmoedigd of gemakzuchtig te worden.
  • Hun opdracht bleef: het evangelie prediken in Jeruzalem, Judea, Samaria en daarna aan alle volken.
  • Deze volgorde is dezelfde waarin het koninkrijk zich in de toekomst zal uitbreiden.
  • Jezus wordt opgenomen vanaf de Olijfberg, een plaats die in de Bijbel symbool staat voor de periode waarin het koninkrijk buiten Israël ligt.
  • De Olijfberg is ook de plaats waar Jezus in de toekomst zal terugkomen.
  • Beelden zoals Bethanië, Lazarus, Maria, Martha, de vijgenboom en de ezel laten aspecten zien van de huidige tijd en van het gelovige overblijfsel van Israël.
  • De gebeurtenis in Handelingen 1 is daarom zowel een teken van Jezus’ vertrek als een duidelijke vooruitwijzing naar Zijn wederkomst.