Handelingen – Studie 2

Na onze vorige bespreking gaan we verder in Handelingen 1. In vers 3 staat dat Jezus, nadat Hij geleden had, zich levend heeft laten zien. Hij deed dat met veel duidelijke bewijzen, veertig dagen lang. In die periode zagen de discipelen Hem en sprak Hij met hen over de dingen die te maken hebben met het Koninkrijk van God. De opstanding van Jezus is het uitgangspunt van dit hele Bijbelboek, en eigenlijk van bijna alle nieuwtestamentische boeken. Vaak wordt al in de eerste verzen gezegd dat Jezus is opgestaan uit de dood.

Die opstanding betekent dat Jezus de “eersteling van de ontslapenen” werd, of zoals in Kolossenzen 1 staat: de eerstgeborene van een nieuwe schepping. De Hebreeënbrief zegt dat Hij door Zijn opstanding werd aangesteld als Zoon, Koning en Hogepriester aan Gods rechterhand. Daarmee werd Hij de Middelaar en Borg van het nieuwe verbond. Al deze begrippen komen uit het Oude Testament, waar ze al waren aangekondigd. De opstanding van Christus is het fundament waarop alles rust.

Nieuwtestamentische boeken zijn “nieuwtestamentisch” omdat ze geschreven zijn ná de opstanding van Jezus. Hun inhoud is gebaseerd op die opstanding. Daarom wordt dit al meteen in de opening van Handelingen genoemd. De vraag die daarna steeds terugkomt is: hoe gaat het verder? De Messias is gekomen, maar wat doet Hij daarna? Daarover bestaan veel meningen, en dat blijft zo zolang de “leugenaar van het begin” nog vrij kan rondgaan. Maar we hebben Gods woord, dat vast en betrouwbaar is. Daarin wordt uitgelegd wat de gevolgen zijn van Jezus’ opstanding.

In de brieven wordt dat leerstellig uitgelegd. In Handelingen zien we dezelfde waarheid in de geschiedenis gebeuren. Handelingen laat zien wat Jezus als de Opgestane doet als Middelaar van het nieuwe verbond. Wat Hij doet, staat hier meteen: Hij spreekt over de dingen die het Koninkrijk van God aangaan. Dat deed Hij niet alleen letterlijk veertig dagen lang, maar Hij doet dat nog steeds.

Jezus wordt in het Oude Testament aangekondigd als profeet. Een profeet spreekt Gods woord. Jezus was profeet tijdens Zijn leven op aarde, maar nog veel meer sinds Zijn opstanding. Hij is de “getrouwe getuige”, het Woord van God, de hoogste onder de engelen (zoals Hebreeën 1 zegt). Zijn werk bestaat in de eerste plaats uit het bekendmaken van de dingen die bij het Koninkrijk van God horen. Voor wie moeite heeft met die term: je kunt ook zeggen “de dingen van het nieuwe verbond”. Het Koninkrijk komt namelijk voort uit dat nieuwe verbond, en het nieuwe verbond leidt tot de openbaring van dat Koninkrijk.

In het Oude Testament, vooral in de psalmen, wordt vaak gezegd wat Jezus na Zijn opstanding zou doen: Hij zou Gods lof verkondigen te midden van een grote gemeente, aan Zijn broeders. Dat wordt meerdere keren herhaald. Vaak past men dat toe op de veertig dagen na Zijn opstanding, en dat klopt ook. Maar het is vooral een voorbeeld van wat Jezus nu nog steeds doet. In die zin zijn die veertig dagen eigenlijk nog niet voorbij. Ze staan voor de tijd vanaf Zijn opstanding tot Zijn uiteindelijke terugkomst, wanneer Hij Zijn Koninkrijk zal openbaren aan Israël en daarna aan de volken.

We kennen deze waarheid niet alleen uit de psalmen, maar ook uit andere teksten. Bijvoorbeeld 2 Korinthe 4:4, waar staat dat God, die gezegd had dat licht uit de duisternis zou schijnen, in onze harten heeft geschenen. Hij geeft ons licht door het evangelie van de heerlijkheid van Christus, die het beeld van God is. Dat is hetzelfde als dat Hij ons Gods woord bekendmaakt.

Deze waarheid is niet populair, omdat het betekent dat geen enkele gelovige een excuus heeft om Jezus niet te kennen of Zijn woord niet te begrijpen. Hij maakt het immers bekend. Als wij het niet kennen, sluiten wij ons ervoor af. Jezus is de Herder, wij zijn de schapen. Als we echt Zijn schapen zijn, horen we Zijn stem en kennen we Hem. Hij doet Zijn werk trouw, zoals Hebreeën 3 zegt over Zijn taak als Hogepriester. De priesters moesten Gods woord bewaren en onderwijzen. Ook nu is het dienen van de Heer in de eerste plaats het verkondigen van Gods woord. Zonder dat heeft al het andere geen zin.

Jezus maakt Zichzelf bekend, en daarmee Gods waarheid. Hij verkondigt Gods lof te midden van Zijn broeders en in de gemeente. Dat zien we al in Handelingen 1: Hij verscheen veertig dagen lang aan Zijn discipelen, zij leerden Hem zien, en Hij sprak met hen over het Koninkrijk van God. Dat Koninkrijk is door Zijn opstanding fundamenteel tot stand gekomen. Het Koninkrijk ontstaat wanneer de Koning gekroond wordt. Dat gebeurde bij Zijn opstanding.

Veel mensen maken van “Koninkrijk van God” een algemene uitspraak zoals “God regeert”. Dat klinkt mooi, maar het heeft niets te maken met wat de Bijbel bedoelt. De Bijbel bedoelt het messiaanse rijk: het Koninkrijk waarin Jezus, de Zoon van David en de Zoon van God, Koning is. Dat Koninkrijk is beloofd vanaf Genesis en is begonnen toen Jezus werd gekroond. De vraag is wie zich eraan onderwerpt. In de gemeente regeert Christus als Heer en Hoofd van Zijn lichaam. Dat is het eerste deel van het Koninkrijk.

Voor Joden is het duidelijk dat het Koninkrijk van God het beloofde Koninkrijk van de Messias is. Wat uitgelegd moet worden, is hoe dat Koninkrijk zich ontwikkelt. Daar is veel over te zeggen. In een christelijk tijdschrift las ik dat “de Heer nu bezig is de vervallen hut van David weer op te richten”. Dat klopt niet. Handelingen 15 zegt dat God eerst een volk uit de heidenen verzamelt. Pas daarna richt Hij de hut van David weer op. Ook las ik dat Israël nu “barensweeën heeft om het Koninkrijk voort te brengen”. Maar de Bijbel zegt dat Israël pas barensweeën krijgt in de grote verdrukking, wanneer het Koninkrijk openbaar wordt.

Niemand heeft een excuus om dit niet te weten, want Jezus spreekt tot ons over het Koninkrijk. Hij doet dat door Zijn woord en door Zijn Geest. Als we niet onderwezen zijn in het Koninkrijk, begrijpen we onze eigen positie als gelovigen niet. En als je je eigen positie niet begrijpt, wordt je leven een chaos. Voor ons als kinderen van God geldt dat Hij ons dit wil openbaren, zodat we kunnen wandelen in overeenstemming met onze roeping.

In Mattheüs 13 staat dat een schriftgeleerde die onderwezen is in het Koninkrijk, nieuwe en oude dingen uit zijn schat voortbrengt. Dat betekent dat we eerst de nieuwe dingen leren (de positie van de gemeente) en daarna de oude dingen (de komst van de Messias en Zijn Koninkrijk op aarde). De oude dingen beginnen al in Genesis: “Laat ons Adam maken naar ons beeld, en laat hij heerschappij hebben.” Dat is een profetie over de Koning. Door de geslachtsregisters heen zien we hoe die belofte wordt doorgegeven, tot aan David. In 2 Samuël 7 belooft God dat Davids zoon eeuwig op de troon zal zitten. In het Nieuwe Testament zien we dat Jezus, door Zijn opstanding, de Zoon van David is die gekroond wordt.

Het Koninkrijk zal openbaar worden wanneer Jezus terugkomt en de troon van David herstelt. Dat staat letterlijk in de profeten en psalmen. Maar eerst verzamelt God een volk uit de heidenen: de gemeente. Dat is nieuw en was in het Oude Testament verborgen. Daarom moest het in het Nieuwe Testament worden uitgelegd. Wij moeten leren welke plaats wij daarin hebben.

De discipelen kregen veertig dagen onderwijs voordat ze op de Pinksterdag hun taak begonnen. Of ze alles begrepen, weten we niet. Soms weet je iets wel, maar begrijp je het pas door ervaring. Wat voor ons belangrijk is: die veertig dagen laten zien wat Jezus nu doet. Hij maakt Zich bekend, Hij schijnt Zijn licht in onze harten, Hij spreekt met ons over het Koninkrijk. Dat is belangrijk voor degenen die straks zullen delen in Zijn heerlijkheid: de gemeente, Zijn raad van oudsten.

Wij worden nu opgeleid voor onze toekomstige taak. Het doel is niet dat we “als christen door het leven komen”, maar dat we voorbereid worden op onze bediening in Zijn Koninkrijk. Daarom spreekt Hij met ons over het Koninkrijk.

Handelingen eindigt trouwens op dezelfde manier als het begint: Paulus predikt in Rome het Koninkrijk van God en leert over Jezus Christus. De locatie verandert van Jeruzalem naar Rome, maar de boodschap blijft hetzelfde. Het nieuwe dat uitgelegd moet worden, is de positie van de gemeente.

Dan gaat Handelingen 1 verder. Jezus zegt dat de discipelen in Jeruzalem moeten blijven en moeten wachten op “de belofte van de Vader”, de Heilige Geest. Johannes doopte met water, maar zij zouden met de Heilige Geest gedoopt worden. De discipelen vragen: “Heer, zult U in deze tijd het Koninkrijk voor Israël herstellen?” Jezus antwoordt dat het niet aan hen is om de tijden te weten. In plaats daarvan zegt Hij dat ze kracht zullen ontvangen wanneer de Heilige Geest over hen komt, en dat ze Zijn getuigen zullen zijn in Jeruzalem, Judea, Samaria en tot het einde van de aarde.

Jezus gaat niet direct in op hun vraag. Hij had al over de Heilige Geest gesproken, en Hij gaat daarmee verder. De discipelen lopen vooruit. Jezus zegt dat ze moeten wachten op wat de Geest zal doen. De term “uitstorting van de Geest” wordt vaak gebruikt, maar de Bijbel legt dat anders uit. Ze moesten wachten in Jeruzalem, en de Geest zou hen leiden. Uiteindelijk bracht de Geest hen naar Rome, en verder.

De “belofte van de Vader” is de Heilige Geest. In het Oude Testament was beloofd dat God Zijn Geest zou uitstorten. Ook was beloofd dat de Messias zou komen, dat er een nieuw verbond zou komen, dat er leven uit de dood zou komen. Abraham geloofde dat God de doden levend maakt. Dat is de kern van de belofte: opstanding. De Heilige Geest is het leven van Christus. Petrus zegt in Handelingen 2 dat Jezus als eerste de beloofde Geest ontving toen Hij opstond uit de dood.

Johannes 7 zegt dat de Geest nog niet was, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was. Dat betekent dat de Geest nog niet beschikbaar was voor gelovigen. Na Jezus’ opstanding werd dat wel zo. Gelovigen zouden kinderen van God worden, en dat gebeurt door wedergeboorte: geboren worden uit de Geest. Wedergeboorte en het ontvangen van de Geest zijn hetzelfde.

Daarom is “uitstorting van de Geest” niet iets anders dan wedergeboorte. De Geest maakt ons tot leden van het lichaam van Christus. Dat is wat “doop met de Heilige Geest” betekent. 1 Korinthe 12 legt dat uit: door één Geest worden wij tot één lichaam gedoopt. Dat betekent dat we één worden met Christus en met elkaar. Het woord “doop” betekent niet alleen onderdompeling, maar doordrenking: volledig gevuld worden. Daarom wordt de Geest vaak voorgesteld als water, wijn of olie.

De doop met de Geest is dus het werk waardoor we deel worden van het lichaam van Christus. Dat gebeurt niet op de Pinksterdag, maar bij de opstanding van Christus. De discipelen ontvingen de Geest op de dag van Jezus’ opstanding, zoals Johannes 20 zegt: Jezus blies op hen en zei: “Ontvang de Heilige Geest.”

Wat gebeurde er dan op de Pinksterdag? Niet dat zij de Geest ontvingen, maar dat de kracht van de Geest zichtbaar werd. De Geest die in hen was, kwam op hen. Dat wil zeggen: Hij werd zichtbaar, merkbaar, hoorbaar. Dat was nodig om te laten zien dat de Messias gekomen was en dat Gods beloften waren vervuld. Daarom waren er tekenen: wind, vuur, tongen. Petrus zegt dat dit is wat Joël had voorspeld.

De discipelen vroegen of Jezus het Koninkrijk zou herstellen. Jezus zegt dat ze moeten wachten in Jeruzalem. De Geest zal hen kracht geven, en ze zullen Zijn getuigen zijn tot aan het einde van de aarde. Dat is precies wat er gebeurt: het evangelie gaat van Jeruzalem naar Judea, Samaria en verder.

De Geest werkt meestal onzichtbaar, zoals Johannes zegt: je hoort het geluid van de wind, maar je ziet de wind zelf niet. Maar soms maakt God de werking van de Geest zichtbaar, zoals in Handelingen 2, om te laten zien dat Zijn beloften vervuld zijn.

Samenvatting

  • Jezus verscheen veertig dagen na Zijn opstanding aan de discipelen.
  • In die periode maakte Hij Zichzelf bekend en gaf onderwijs over het Koninkrijk van God.
  • Het Koninkrijk van God begon bij Zijn opstanding, toen Hij als Koning werd aangesteld.
  • Het Oude Testament had dit Koninkrijk al aangekondigd.
  • Het Nieuwe Testament legt vooral het nieuwe onderdeel uit: de positie van de gemeente binnen dat Koninkrijk.
  • De discipelen moesten in Jeruzalem blijven en wachten op “de belofte van de Vader”: de Heilige Geest.
  • De Heilige Geest was in het Oude Testament beloofd en werd beschikbaar na Jezus’ opstanding.
  • Wedergeboorte, het ontvangen van de Geest en de doop met de Geest beschrijven hetzelfde: nieuw leven ontvangen en deel worden van het lichaam van Christus.
  • Op de Pinksterdag ontvingen de discipelen niet de Geest zelf, maar werd de kracht van de Geest zichtbaar.
  • De zichtbare tekenen op Pinksteren lieten zien dat Gods beloften waren vervuld.
  • De Heilige Geest zou de discipelen leiden om getuigen te zijn in de hele wereld.
  • Handelingen begint met Jezus’ opstanding en eindigt met Paulus die in Rome het Koninkrijk van God verkondigt