In het leven en werk van Paulus kun je twee duidelijke perioden herkennen. De eerste periode loopt vanaf zijn bekering op weg naar Damascus tot aan zijn eerste gevangenschap in Rome (Handelingen 9–28:28). In deze tijd treedt Paulus op als iemand die “ontijdig geboren” is. Dat betekent dat hij in een bijzondere fase leeft: een profetische tijd waarin God het Koninkrijk nog aanbiedt aan het volk Israël. Paulus richt zich daarbij eerst op de Joden, maar ook op de niet‑Joden (de Grieken).
In deze periode gaat Paulus bij elke nieuwe plaats eerst naar de synagoge. Er gebeuren dan nog opvallende wonderen en tekenen. Soms worden zelfs doden weer levend. In Handelingen 19:11‑12 staat bijvoorbeeld:
“En God deed buitengewone krachten door de handen van Paulus, zodat ook zweetdoeken of gordeldoeken van zijn lichaam aan de zieken gebracht werden en hun kwalen van hen weken en de boze geesten uitvoeren.”
Dit laat zien hoe bijzonder die tijd was.
Maar na verloop van tijd nemen deze wonderen en tekenen af. Later lezen we dat Paulus zelf lichamelijke zwakheden heeft en dat hij en zijn medewerkers soms ernstig ziek zijn. Ze worden dan niet meer op een wonderlijke manier genezen. Deze periode hoort bij de tijd waarin Paulus brieven schrijft zoals Romeinen, 1 en 2 Korintiërs, Galaten en 1 en 2 Tessalonicenzen.
De tweede periode begint bij zijn eerste gevangenschap in Rome en loopt tot zijn tweede gevangenschap en zijn dood, ergens tussen het jaar 64 en 68 (Handelingen 28:16,30 en 2 Timotheüs). In deze tijd verdwijnt het werk van Petrus en de andere twaalf apostelen meer naar de achtergrond. Tijdens hun bediening is het Koninkrijk niet opgericht, maar verborgen gebleven. Israël is verspreid geraakt onder de andere volken.
Nu breekt een nieuwe fase aan: de tijd van Gods genade. God is bezig een nieuw volk te verzamelen voor Zijn naam. Dat volk bestaat uit gelovigen uit de heidenen én uit Joden die in Jezus als Messias geloven. Door dat geloof zijn zij volledig gelijkwaardig aan elkaar en vormen zij samen een nieuwe schepping: de Gemeente, het Lichaam van Christus.
In deze periode wordt ook het deel van Gods wil zichtbaar dat eerder verborgen was gebleven. Dat gebeurt in de brieven die Paulus schrijft vanuit de gevangenis: Efeziërs, Filippenzen, Kolossenzen en Filémon. Ook de pastorale brieven, 1 en 2 Timotheüs en Titus, horen bij deze tijd.
Dit alles gaat over Paulus, over wie nog veel meer staat in het boek Handelingen. Hij komt ook sterk naar voren in zijn brieven, vooral in de Brief aan de Romeinen.
Samenvatting
- Paulus’ bediening bestaat uit twee grote perioden.
- In de eerste periode (Handelingen 9–28) leeft Paulus in een profetische tijd waarin het Koninkrijk nog wordt aangeboden aan Israël.
- In deze eerste periode gebeuren veel wonderen en tekenen.
- Paulus richt zich in deze fase eerst op de Joden.
- Later nemen de wonderen af en worden Paulus en zijn medewerkers niet langer bovennatuurlijk genezen.
- In de tweede periode, vanaf Paulus’ gevangenschap in Rome, verschuift de aandacht van het apostolische werk van Petrus en de twaalf naar Paulus’ bediening.
- In deze tweede periode is Israël verspreid onder de volken.
- God verzamelt in deze tijd een nieuw volk: de Gemeente, het Lichaam van Christus.
- In deze fase openbaart God het deel van Zijn plan dat eerder verborgen was.
- Deze verborgenheden worden vooral uitgelegd in Paulus’ gevangenschapsbrieven en pastorale brieven.