Augustus


1 augustus

We lezen vandaag: Mattheüs 16:13-20

Mattheüs 16:18
En Ik zeg u ook dat u Petrus bent, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten van de hel zullen haar niet overweldigen.

Deze maand gaat het over de Gemeente. Misschien denk je meteen: welke dan? Er zijn zoveel verschillende kerken en groepen. Je vriend of vriendin gaat misschien naar een heel andere gemeente dan jij. Maar wat zegt de Bijbel eigenlijk? Zijn er veel Gemeentes, of is er maar één? En wat is die Gemeente precies? Het kan best verwarrend zijn, waardoor je soms niet meer weet hoe het zit. Daarom gaan we deze maand samen door de Bijbel om te ontdekken wat daar over de Gemeente staat.

De Gemeente heeft een speciale plek in wat de Heer in deze tijd doet. We weten dat Jezus nu niet zichtbaar op aarde is. De laatste keer dat Zijn discipelen Hem zagen, was 40 dagen na Zijn opstanding. In Handelingen 1:11 staat dat Jezus naar de hemel ging en dat Hij op dezelfde manier terug zal komen. De periode waarin Jezus niet zichtbaar op aarde is, noemen we “de verborgenheid”. Die duurt vanaf Zijn opstanding tot het moment dat Hij terugkomt. In die tussentijd is de Gemeente ontstaan: een soort verzamelplek voor iedereen die in Jezus gelooft. Later gaan we daar nog dieper op in; dit is alleen de inleiding.

Maar waar komt het woord “Gemeente” vandaan? Het is een vertaling van het Griekse woord ecclesia. “Ek” betekent “uit”, en “caleo” betekent “roepen”. In het dagelijks leven werd het woord gebruikt voor een vergadering van mensen, vaak een officiële volksvergadering. In Handelingen 7:38 lees je bijvoorbeeld over “de vergadering van het volk in de woestijn”. Dat ging over het volk Israël, dat door God uit Egypte geroepen werd en verzameld werd in de woestijn. Je kunt dus zeggen dat de Gemeente een “volk” van God is: gelovigen die door God uit de rest van de wereld zijn geroepen.

De Gemeente is het geroepen volk dat samen leert leven met Jezus.


2 augustus

We lezen vandaag: Mattheüs 16:15-20

Mattheüs 18:20
Want waar twee of drie in Mijn Naam bijeengekomen zijn, daar ben Ik in hun midden.

We hebben gezien dat het woord ecclesia eigenlijk “volksvergadering” betekent. In de tijd van de Grieken ging dat zo: het volk werd bij elkaar geroepen door het geluid van een trompet of bazuin. Zodra mensen dat hoorden, kwamen ze uit hun huizen, omdat er belangrijke dingen verteld moesten worden. In Éfeze, in de tijd van Paulus, werkte dat precies hetzelfde. Dat kun je lezen in Handelingen 19:39.

Stel je eens voor: een trompetter op de hoek van de straat die iedereen oproept om naar de volksvergadering te komen! Natuurlijk waren er altijd mensen die door omstandigheden niet konden komen. Toch was de volksvergadering compleet, ook al ontbraken er mensen. Zelfs als er maar een paar mensen kwamen, bleef het nog steeds de volksvergadering. Maar zodra iedereen weer naar huis ging, was het geen volksvergadering meer, maar gewoon Jantje, Pietje en alle anderen.

Zo werkt het ook met gelovigen. Er is maar één “volksvergadering” van mensen die in Jezus geloven. En al ben je maar met twee of drie personen, dan heet het nog steeds de vergadering van gelovigen. In Matteüs 18:20 staat: “Waar twee of drie bij elkaar zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden.” Zie je dat? Er is wel een voorwaarde: in Zijn Naam. Niet in de naam van iets anders. We komen samen omdat Jezus Christus de reden is. Anders kun je net zo goed lid worden van een leuke club, maar dat is dan niet op basis van Zijn Naam.

Gelovigen komen niet allemaal op dezelfde plek samen, dat kan ook niet. In de Bijbel lees je dat christenen op verschillende plaatsen samenkwamen, zoals in Handelingen 2:46. Als je maar weet dat iedereen die samenkomt in Zijn Naam, waar dan ook ter wereld, deel uitmaakt van die ene volksvergadering van gelovigen. Er bestaat dus maar één echte Gemeente, waar Christus het Woord heeft.

Waar jij in Jezus’ Naam samenkomt, daar begint de echte Gemeente.


3 augustus

We lezen vandaag: Mattheüs 16:13-20

Mattheüs 16:18
En Ik zeg u ook dat u Petrus bent, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten van de hel zullen haar niet overweldigen.

Vandaag kijken we naar een belangrijke tekst uit Matteüs 16:18. Jezus zegt daar tegen Petrus: “Jij bent Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn Gemeente bouwen, en de poorten van de hel zullen haar niet overweldigen.” Maar wat bedoelt Jezus precies?

Eerst is het handig om de woorden te begrijpen. Petrus betekent “steen” en petra betekent “rots”. Om te snappen waar Jezus op doelt, moeten we even terug naar de verzen ervoor. Vanaf vers 13 vraagt Jezus aan Zijn discipelen wie zij denken dat Hij is. In vers 16 zegt Petrus: “U bent de Christus, de Zoon van de levende God.” Jezus antwoordt dat Petrus dit niet zelf heeft bedacht, maar dat God de Vader het aan hem heeft laten zien.

Veel mensen denken dat Jezus hiermee zegt dat Hij Zijn Gemeente op Petrus zal bouwen. Maar lees goed wat er staat! Wat heeft Petrus van God geleerd? Dat Jezus de Christus is. Dáár gaat het om. Op die waarheid — op Jezus Zelf, de rots — zou de Gemeente gebouwd worden. Als de Gemeente op Petrus gebouwd zou worden, zou dat niet stevig zijn. Petrus twijfelde soms, net als ieder mens. In Matteüs 14:30 zie je dat hij bang werd toen hij op het water liep en begon te zinken.

Nee, Jezus zou Zelf Zijn Gemeente bouwen. Hij is de eerste Steen van dat grote bouwwerk. In het Oude Testament wordt dat al aangekondigd. In Jesaja 28:16 staat dat God een kostbare, stevige hoeksteen legt. In Efeze 2:20-22 lees je dat Jezus Christus die hoeksteen is, en dat alle gelovigen samen een gebouw vormen: een woonplaats van God.

Petrus is dus niet de basis van de Gemeente. Hij is een “levende steen” in dat levende bouwwerk. En jij ook, als je gelooft in Jezus.

Jezus is de Rots; jij mag als levende steen deel worden van Zijn bouwwerk.


4 augustus

We lezen vandaag: Handelingen 1:4-14

Handelingen 1:8
maar u zult de kracht van de Heilige Geest ontvangen, Die over u komen zal; en u zult Mijn getuigen zijn, zowel in Jeruzalem als in heel Judea en Samaria en tot aan het uiterste van de aarde.

De woorden die Jezus hier tegen Zijn discipelen sprak, waren vlak voor Zijn hemelvaart. Het moet voor hen een heel bijzondere tijd zijn geweest: de periode tussen Zijn opstanding en Zijn vertrek naar de hemel. Veertig dagen lang sprak Jezus met hen over alles wat te maken had met het Koninkrijk van God (Handelingen 1:3).

Tijdens Zijn leven had Jezus al vaak uit de Schriften geciteerd, maar toen begrepen de discipelen het nog niet. In Lukas 24:44-45 lees je dat Jezus hun verstand opende, zodat ze eindelijk begrepen wat er geschreven stond. Ook bereidde Hij hen voor op hun taak: Zijn getuigen zijn. In Johannes 15:16 zegt Hij dat Hij hen heeft uitgekozen en in Matteüs 28:19 geeft Hij de opdracht om alle volken te onderwijzen.

Maar stel je voor dat je daar staat als discipel. Je Meester zegt dat Hij naar de hemel zal gaan… wat nu? Moeten ze het allemaal alleen doen? Gelukkig niet. Jezus had hen een belofte gegeven: de komst van een andere Trooster. In Johannes 14 kun je dat zelf lezen. Kort voor Zijn dood had Jezus al gezegd dat Hij zou weggaan, zodat de Trooster kon komen (Johannes 16:7). Die Trooster is de Geest van de waarheid (Johannes 14:16-17), en Jezus zegt dat de discipelen die Geest al kennen. In vers 18 zegt Hij zelfs: “Ik kom weer naar jullie toe.”

Het is dus Jezus Zelf die terugkomt als Geest. Hij is de Weg, de Waarheid en het Leven (Johannes 14:6). Dat is de troost die Hij Zijn discipelen geeft: ze zullen nooit zonder Hem zijn.

Johannes 14:1 zegt: “Laat je hart niet onrustig worden; geloof in God, geloof ook in Mij.”

Jezus gaat niet weg om je alleen te laten. Hij komt terug om altijd bij je te zijn.


5 augustus

We lezen vandaag: Lukas 24:36-49

Lukas 24:49
En zie, Ik zend de belofte van Mijn Vader op u; maar blijft u in de stad Jeruzalem, totdat u met kracht uit de hoogte bekleed zult worden.

We zijn aangekomen bij het boek Handelingen, waar de komst van de Heilige Geest wordt beschreven. Jezus is inmiddels opgenomen in de hemel. In Handelingen 1:9 staat dat de discipelen zagen hoe een wolk Hem wegnam uit hun zicht. Vanuit Zijn hemelse positie geeft Jezus nu Zijn Geest aan de gelovigen, precies zoals Hij beloofd had. In Johannes 14:28 zegt Hij: “Ik ga weg, maar Ik kom weer terug.”

De discipelen hadden de Heilige Geest al eerder ontvangen toen Jezus na Zijn opstanding bij hen kwam in de opperzaal. In Johannes 20:22 staat dat Hij op hen blies en zei: “Ontvang de Heilige Geest.” Maar op de Pinksterdag zouden ze niet alleen de Geest ontvangen, maar ook de kracht van de Heilige Geest. In Handelingen 1:8 zegt Jezus: “Jullie zullen kracht ontvangen wanneer de Heilige Geest over jullie komt.”

Dan breekt de Pinksterdag aan. In Handelingen 2:1-4 lees je wat er gebeurde. Boven dat hoofdstuk staat vaak: “Uitstorting van de Heilige Geest”, maar eigenlijk gaat het om het teken van die uitstorting. Het is namelijk de vervulling van een belofte die al vaker in de Bijbel genoemd werd. Zoals in Matteüs 3:11, waar Johannes de Doper zegt dat Jezus zal dopen met de Heilige Geest en met vuur. Daarom staat er in Handelingen 2:1 dat de dag van het pinksterfeest “vervuld” werd.

Voor de mensen die erbij waren moet het heel vreemd hebben gevoeld. Petrus legt meteen uit dat het niet komt doordat ze dronken zijn (vers 15). In vers 33 vertelt hij wat er wél gebeurt: Jezus, die door God verhoogd is, heeft van de Vader de belofte van de Heilige Geest ontvangen en Hij heeft dit uitgestort. Jezus was dus de eerste die de Heilige Geest ontving, omdat Hij de Eersteling is van een nieuwe schepping. Dat lees je ook in 1 Korinthe 15:20-23.

Pinksteren laat zien: Jezus leeft, werkt en geeft Zijn kracht. Ook vandaag!!


6 augustus

We lezen vandaag: Johannes 21:15-19

Johannes 21:17
Hij zei voor de derde keer tegen hem: Simon, zoon van Jona, houdt u van Mij? Petrus werd bedroefd, omdat Hij voor de derde keer tegen hem zei: Houdt u van Mij? En hij zei tegen Hem: Heere, U weet alle dingen, U weet dat ik van U houd. Jezus zei tegen hem: Weid Mijn schapen.

Petrus is de apostel die officieel het Nieuwe Verbond heeft geopend. Jezus had hem daarvoor de sleutels gegeven, zoals je kunt lezen in Matteüs 16:19. Daarom is het logisch dat Petrus degene is die op de Pinksterdag het woord neemt. Jezus had hem immers gevraagd om Zijn schapen te verzorgen, zoals staat in Johannes 21.

Op de Pinksterdag staat Petrus op als een echte leider. Hij spreekt het Joodse volk toe, dat helemaal in de war is door wat er gebeurt. In Handelingen 2:14 staat: “Petrus stond op, samen met de andere elf, en sprak met luide stem: Joodse mannen en iedereen die in Jeruzalem woont, luister goed naar mijn woorden.”

Maar er is nog iets opvallends: er waren in Jeruzalem niet alleen Joden, maar ook heidenen. En die werden niet weggestuurd. Ze mochten gewoon luisteren. De boodschap van Petrus was dus ook voor hen bedoeld.

Petrus was door Jezus geroepen om het Evangelie vooral aan de Joden te brengen. Paulus bevestigt dat in de Galatenbrief. In Galaten 2:7-8 noemt hij Petrus zelfs de “apostel van de besnijdenis”, wat betekent dat Petrus vooral onder het Joodse volk werkte.

Maar er is nog een belangrijk detail in wat Petrus zegt. In Handelingen 2:29 staat: “Mannen broeders, ik mag vrijuit tot jullie spreken…” Dat was bijzonder, want vóór Jezus’ opstanding mochten de discipelen helemaal niet vertellen dat Hij de Messias was. Ze moesten juist hun mond houden over wie Hij echt was en wat Hij kwam doen. Maar nu, na Zijn opstanding, mocht Petrus eindelijk vrijuit spreken. En dat deed hij met kracht.

Als Jezus je de sleutel geeft, durf je eindelijk de deur wijd open te zetten.


7 augustus

We lezen vandaag: 1 Korinthe 2

1 Korinthe 2:7
Wij spreken echter de wijsheid van God, als een geheimenis; een wijsheid die verborgen was en die God vóór alle eeuwen voorbestemd heeft tot onze heerlijkheid;

We zagen gisteren dat Petrus op de Pinksterdag vrijuit mocht spreken. Maar vóór Jezus uit de dood zou opstaan, moesten de discipelen juist zwijgen over wie Hij echt was en wat Hij deed. Jezus zei dat heel duidelijk. In Matteüs 9:30, nadat Hij twee blinden had genezen, waarschuwde Hij streng: “Zorg dat niemand dit weet.” In Matteüs 16:20 verbood Hij Zijn discipelen om te vertellen dat Hij de Christus was. En in Markus 1:43-44 zei Hij tegen iemand die Hij had genezen dat hij er met niemand over mocht praten, maar zich alleen aan de priester moest laten zien.

Waarom moest dat allemaal geheim blijven? Nu wordt dat duidelijk. De leiders van die tijd hebben Jezus gekruisigd omdat ze niet begrepen wat er echt aan de hand was. In 1 Korinthe 2:8 staat dat ze de verborgenheid niet hebben gekend. Er was een geheim plan van God dat pas na de kruisiging in werking zou komen.

Maar wat was dan die verborgenheid? In de eerste plaats dat Jezus zou opstaan uit de dood. En daarna: Wie Hij zou worden in Zijn opstanding, en wat Zijn nieuwe taak zou zijn. Dat geheim gaat over Christus en Zijn Gemeente. Samen laten zij Gods wijsheid zien én Gods grote plan: een nieuwe schepping. Daar gaan we later nog verder op in.

In Efeze 3:9-11 legt Paulus uit dat deze verborgenheid al eeuwenlang in God verborgen was. Nu wordt door de Gemeente zichtbaar gemaakt hoe wijs God is, zelfs aan hemelse machten. Dit alles hoort bij Gods eeuwige plan, dat Hij heeft uitgevoerd in Christus Jezus.

Wat eerst verborgen was, wordt zichtbaar zodra Jezus opstaat en jij mag deel zijn van dat plan.


8 augustus

We lezen vandaag: Handelingen 2:14-36

Handelingen 2:36
Laat dan heel het huis van Israël zeker weten dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk deze Jezus, Die u gekruisigd hebt.

De leiders van deze wereld hebben nooit begrepen dat de profeten in het Oude Testament al spraken over Christus en Zijn Gemeente. Dat kun je lezen in 1 Petrus 1:10-12. Ze snapten ook niet dat Jezus de dood zou overwinnen. Ze dachten dat ze Hem konden vasthouden in het graf. Als dat gelukt was, zou Hij nooit meer kunnen spreken en zou Gods plan stoppen. Daarom haalt Petrus op de Pinksterdag het Oude Testament aan om uit te leggen wat er echt bedoeld was.

In Handelingen 2:25-28 citeert Petrus woorden van David uit Psalm 16. David zegt dat de Heer altijd bij hem is, dat zijn hart blij is en dat zijn lichaam rust heeft. Hij zegt ook dat God zijn ziel niet in de dood zal laten en Zijn Heilige niet zal laten vergaan. God laat de weg naar het leven zien en vult hem met vreugde.

Vanaf vers 29 legt Petrus uit dat David dit niet over zichzelf zei, maar over Christus, die uit Davids familie zou komen. Jezus zou niet in het graf blijven, maar opstaan. Veel psalmen gaan eigenlijk niet over David, maar over Christus. In Psalm 89 en in 2 Samuel 7 lees je dat God een blijvend koninkrijk zou geven aan iemand uit Davids lijn. Petrus verwijst daar ook naar in Handelingen 2:30-31. Met de opgestane Messias zou God het koninkrijk van David voortzetten.

In Handelingen 2:34 haalt Petrus Psalm 110 aan: “De Heer zei tegen mijn Heer: Zit aan Mijn rechterhand.” David is zelf niet naar de hemel gegaan, dus hij sprak over Christus.

In 2 Samuel 7 vertelt God aan David dat híj geen tempel hoeft te bouwen, maar dat God voor hem een “huis” zal maken. Dat verwijst naar onze tijd: na Jezus’ opstanding begint God met het bouwen van de Gemeente.

Gods plan was altijd groter dan één koning. Het leeft verder in Christus en Zijn Gemeente.


9 augustus

We lezen vandaag: Mattheüs 4:1-11

Mattheüs 4:4
Maar Hij antwoordde en zei: Er staat geschreven: De mens zal niet van brood alleen leven, maar van elk woord dat uit de mond van God komt.

Gisteren zagen we dat de profeten al hadden voorspeld dat de Messias zou komen. Op de Pinksterdag haalt Petrus deze teksten uit het Oude Testament aan om de mannen van Israël wakker te schudden. En dat lukt: zijn woorden raken hen diep. Ze beseffen dat Jezus van Nazareth écht de beloofde Messias is.

In Handelingen 2:37 staat: “Toen ze dit hoorden, werden ze diep geraakt en vroegen aan Petrus en de andere apostelen: Wat moeten we doen, mannen broeders?” Eigenlijk hadden ze het kunnen weten, want de profeten kwamen uit hun eigen volk. Maar Israël wilde vaak niet luisteren en doodde zelfs hun profeten.

In Lukas 20:9-20 vertelt Jezus de gelijkenis van de wijngaardeniers. Hij doet dat omdat de leiders van het volk niet wilden geloven. In die gelijkenis vertrouwt de Heer de wijngaard (Israël) toe aan Joodse leiders terwijl Hij weg is. Hij stuurt dienaren (profeten), maar het volk luistert niet. Als laatste stuurt Hij Zijn Zoon, maar ook Hem wijzen ze af — en Hij wordt gedood.

God had Israël als eerste Zijn Woord gegeven. Ze hadden een priesterlijke taak: andere volken onderwijzen in Gods waarheid. Dat lees je ook in Psalm 147:19-20 en in Romeinen 3:2: “Hun zijn de woorden van God toevertrouwd.” Tijdens Zijn leven wees Jezus hen steeds op wat er geschreven stond in de boeken van Mozes en de profeten. Zoek maar eens op hoe vaak Hij zegt: “Er staat geschreven.” Zoals in Matteüs 4:4.

Alles verwijst naar het Oude Testament — profetieën die al vervuld zijn, of nog vervuld moeten worden.

Wie eindelijk luistert naar wat geschreven staat, ontdekt dat God al lang sprak.


10 augustus

We lezen vandaag: Handelingen 13:13-47

Handelingen 13:45
Maar toen de Joden de menigten zagen, werden zij met afgunst vervuld en spraken tegen wat er door Paulus gezegd werd; zij spraken niet alleen tegen, maar lasterden ook.

We kijken verder in het boek Handelingen. Dit boek laat eigenlijk de overgang zien van een aards koninkrijk naar een hemels koninkrijk: Gods verborgen plan voor zowel Joden als heidenen. In Handelingen lees je hoe het Evangelie eerst aan het Joodse volk werd verteld door de apostelen, maar hoe de Joodse leiders en veel mensen uit het volk het afwezen. Ze waren nog maar net begonnen met het werk dat Jezus hun had gegeven, of er kwam al tegenstand.

In Handelingen 4:1-3 lees je dat de priesters, de tempelwachter en de Sadduceeën boos werden omdat de apostelen leerden dat Jezus was opgestaan uit de dood. Ze arresteerden hen en zetten hen vast tot de volgende dag. En zo gaat het steeds verder in Handelingen.

Het dieptepunt komt in Handelingen 6 en 7, wanneer Stefanus een toespraak houdt waarin hij de Joodse leiders beschuldigt van afgoderij en ongeloof. Hij zegt dat ze altijd tegen de Heilige Geest ingaan, net zoals hun voorouders. Die hadden de profeten vervolgd en gedood — en nu hadden zij de Rechtvaardige zelf verraden en laten doden. Toen Stefanus dit zei, werden ze woedend en stenigden hem.

Later, in Handelingen 13, zien we Paulus in Antiochië. Op de sabbat spreekt hij tot het volk, en veel mensen luisteren graag. Maar een week later, wanneer hij opnieuw de Schriften uitlegt aan zowel Joden als heidenen, gebeurt weer hetzelfde: de Joden worden jaloers, spreken Paulus tegen en beginnen hem zelfs te beledigen.

Het boek Handelingen laat zo duidelijk zien hoe het Evangelie steeds verder gaat (ondanks tegenstand) en hoe Gods plan zich stap voor stap ontvouwt.

Gods plan stopt niet bij tegenstand. Het groeit juist door wanneer mensen blijven getuigen.


11 augustus

We lezen vandaag: Handelingen 28:11-31

Handelingen 28:28
Laat het u dan bekend zijn dat de zaligheid van God aan de heidenen gezonden is en die zullen luisteren.

In Handelingen 13:40-41 waarschuwt Paulus het volk met woorden uit de profeet Habakuk. Hij zegt dat ze moeten oppassen, zodat niet gebeurt wat de profeten al hadden voorspeld: dat God iets groots zou doen, maar dat zij het niet zouden geloven, zelfs niet als iemand het hun vertelde. Deze profetie gaat over de komst van de Gemeente, waarin zowel Joden als heidenen samen zouden horen. Voor veel Joden klonk dat vreemd en zelfs belachelijk, maar het was wél Gods plan.

Als we verder lezen in Handelingen 13, zien we dat de Joden jaloers worden. Ze vinden het maar niks dat de apostelen ook met heidenen praten. Maar juist die heidenen staan open voor het Evangelie. Dit patroon zie je steeds terug in Handelingen: de Joden verwerpen de boodschap, terwijl de heidenen luisteren.

In Handelingen 13:46-47 zeggen Paulus en Barnabas dat het nodig was om eerst het Woord van God aan de Joden te brengen. Maar omdat zij het afwijzen, keren de apostelen zich nu tot de heidenen. Ze leggen uit dat de Heer hen heeft geroepen om een licht voor de heidenen te zijn, zodat Gods redding overal op aarde bekend wordt.

Dit moment is heel bijzonder: hier worden de rollen omgedraaid. De heidenen, die eerst buitenstaanders waren, worden nu degenen die wél willen luisteren. Aan het einde van Handelingen wordt dit nog eens bevestigd. In Handelingen 28 zegt Paulus dat Gods redding naar de heidenen is gestuurd, en dat zij zullen luisteren.

Zo laat Handelingen zien hoe het Evangelie zich verspreidt: eerst naar Israël, maar uiteindelijk naar de hele wereld, omdat Gods plan groter is dan één volk.

Gods licht zoekt altijd een weg en wie luistert, wordt drager van dat licht.


12 augustus

We lezen vandaag: Handelingen 19:10-19

Handelingen 9:20
En meteen predikte hij Christus in de synagogen, dat Hij de Zoon van God is.

Maar wie was Paulus eigenlijk? Hij verschijnt ineens in het verhaal, terwijl hij niet bij de twaalf apostelen hoorde. We komen hem voor het eerst tegen in de geschiedenis van Stefanus. In Handelingen 7 wordt hij genoemd, maar daar heet hij nog Saulus. Paulus was iemand die gelovigen vervolgde die “bij de Weg” hoorden, mensen die in de Heer Jezus geloofden en niet meer leefden onder de wet van Mozes. In Handelingen 9:1-2 en 16:17 kun je dat lezen. Paulus dacht echt dat hij goed bezig was door deze gelovigen hard aan te pakken.

Misschien ken je het verhaal: op weg naar Damascus grijpt de Heer hem persoonlijk. Dat lees je in Handelingen 9. Saulus is een voorbeeld van iemand die door de wet verblind is. Daarom wordt hij door de Heer drie dagen lang letterlijk blind gemaakt. (Drie dagen verwijzen in de Bijbel vaak naar opstanding!)

Je snapt dat de discipelen eerst niet blij waren met Paulus. Ze vertrouwden hem niet, logisch, want hij had hen eerder vervolgd. Maar de Heer zegt in Handelingen 9:15-16 dat Paulus een “uitverkoren vat” is, iemand die Gods Naam zal dragen voor heidenen, koningen en Israël. En dat hij veel zal moeten lijden omwille van Jezus.

Ken je het spreekwoord “de schellen vielen van zijn ogen”? Dat komt uit Handelingen 9:18. Daar staat dat er iets van zijn ogen afviel, alsof het schubben waren, en dat hij weer kon zien. Daarna liet hij zich dopen. Dat is precies wat er gebeurt als iemand tot geloof komt: je gaat ineens zien wie Jezus echt is. Daarom begint Paulus meteen te spreken over Christus.

In Handelingen 9:20 staat dat hij direct in de synagogen verkondigde dat Jezus de Zoon van God is.

Als Jezus je ogen opent, zie je niet alleen het licht, je gaat het ook doorgeven.


13 augustus

We lezen vandaag: Galaten 1:10-24

Galaten 1:12
Want ik heb dat ook niet van een mens ontvangen of geleerd, maar door openbaring van Jezus Christus.

Gisteren hebben we het gehad over Paulus. Vandaag kijken we verder naar zijn leven. In het begin vertrouwde bijna niemand hem. In Handelingen 9:21 staat dat mensen verbaasd waren en zeiden: “Is dit niet dezelfde man die in Jeruzalem iedereen lastigviel…?” Toch werd Paulus opgenomen tussen de gelovigen. Maar al snel moest hij zelf vluchten, omdat de Joden hem wilden doden. Hij ontsnapte uit Damascus en ook in Jeruzalem was hij niet veilig. Daarom ging hij terug naar zijn geboorteplaats Tarsus (Handelingen 9:23-31).

Paulus verdwijnt daarna een paar jaar uit beeld. Dat was waarschijnlijk nodig, want in die tijd onderwees de Heer hem persoonlijk over Zijn verborgen plan: het plan met de Gemeente.

In Galaten 1:12 zegt Paulus dat hij deze boodschap niet van mensen heeft geleerd, maar door een openbaring van Jezus Christus. In 2 Korinthe 12:1-4 lees je dat hij zelfs hemelse dingen heeft gezien. Paulus was door de Heer geroepen om deze speciale boodschap bekend te maken. In Romeinen 1:2 noemt hij zichzelf een dienaar van Jezus Christus, geroepen als apostel, apart gezet voor het Evangelie van God.

Juist Paulus — die zo goed onderwezen was in de wet (Handelingen 22:3) — werd door God gebruikt om de boodschap van genade bekend te maken. Namelijk dat heidenen óók bij het Lichaam van Christus horen. In Efeze 3:2-6 legt Paulus uit dat deze verborgenheid nu bekend is: heidenen zijn mede-erfgenamen, horen bij hetzelfde lichaam en delen in dezelfde belofte.

Bij het begin van zijn dienst verandert zijn naam van Saulus naar Paulus, wat “kleintje” betekent. Paulus moest klein en afhankelijk worden, zodat God hem kon gebruiken. In 2 Korinthe 12:9 zegt de Heer: “Mijn genade is genoeg, want Mijn kracht wordt zichtbaar in zwakheid.”

Wie klein durft te worden, kan groot worden in Gods plan.


14 augustus

We lezen vandaag: Kolossenzen 1:9-23

Kolossenzen 1:18
En Hij is het hoofd van het lichaam, namelijk van de Gemeente, Hij, Die het begin is, de Eerstgeborene uit de doden, opdat Hij in allen de Eerste zou zijn.

We gaan verder met de speciale leer over Christus en de Gemeente. Deze waarheid was in het Oude Testament nog verborgen, maar moest door Paulus bekend worden gemaakt. In Efeze 1:22-23 staat dat God alles aan Jezus heeft onderworpen en Hem als Hoofd heeft gegeven aan de Gemeente. De Gemeente is Zijn lichaam, gevuld met Zijn leven.

Na Jezus’ opstanding worden alle mensen die in Hem geloven een nieuwe schepping. Dat hebben we eerder al gelezen. Of je nu Jood bent of heiden: als je gelooft, hoor je bij Christus én bij elkaar. Samen vormen we het Lichaam van Christus. Het lijkt op een bouwwerk, maar dan een levend bouwwerk. Wij zijn levende stenen.

Doordat wij geloven, staan we in een bijzondere positie. In 1 Korinthe 12:13 staat dat we door één Geest tot één lichaam zijn gedoopt, of we nu Jood, Griek, slaaf of vrij zijn. We zijn één door dezelfde Geest, en dat maakt ons één lichaam. Zoals een lichaam uit veel onderdelen bestaat, zo bestaat ook het Lichaam van Christus uit veel verschillende mensen. In 1 Korinthe 12:12 staat dat alle leden samen één lichaam vormen.

Elk lichaam heeft een hoofd, anders is het dood. Het hoofd bestuurt alles en zorgt dat het lichaam kan functioneren. Zo is Christus het Hoofd van Zijn Lichaam. In Kolossenzen 1:18 staat dat Hij het Hoofd van de Gemeente is, de Eerstgeborene uit de doden, zodat Hij in alles de Eerste is.

Iedereen heeft een eigen plek in dat Lichaam. Niemand kan zonder de ander. In 1 Korinthe 12:21 staat dat het oog niet tegen de hand kan zeggen dat het haar niet nodig heeft, en het hoofd niet tegen de voeten.

Samen vormen we één lichaam en Christus laat elke deel tot leven komen.


15 augustus

We lezen vandaag: 1 Korinthe 12:12-31

1 Korinthe 12:12
Want zoals het lichaam één is en veel leden heeft, en al de leden van dit ene lichaam, hoewel het er veel zijn, één lichaam zijn, zo is het ook met Christus.

In 1 Korinthe 12:18 staat dat God zelf elke gelovige een plek heeft gegeven in het Lichaam, precies zoals Hij dat wilde. Gisteren zagen we al dat gelovigen samen één Lichaam vormen, met Christus als het Hoofd. Dat Lichaam is geen dood ding, maar een levend organisme. Net zoals een plant, dier of mens leeft. Een organisme is dus iets heel anders dan een organisatie. Een organisatie is een club, vereniging of bedrijf waar mensen elkaar taken geven. Maar een lichaam werkt totaal anders.

In een lichaam hebben de verschillende delen niet dezelfde taak. Dat zou onmogelijk zijn, het zou één grote chaos worden. Elk lichaamsdeel heeft zijn eigen functie. In Romeinen 12:4-5 staat dat een lichaam veel leden heeft, en dat die leden niet allemaal hetzelfde doen. Zo vormen wij samen één lichaam in Christus.

Christus heeft aan gelovigen gaven gegeven. Dat betekent dat elke gelovige een rol heeft binnen het Lichaam van Christus, zodat het geheel goed kan functioneren. In 1 Korinthe 12:28 staat dat God sommigen heeft aangesteld als apostelen, profeten, leraren, mensen met kracht, mensen met gaven van genezing, helpers, leiders en mensen die verschillende talen spreken.

Niet iedereen heeft dezelfde gave. Daarom staat er in vers 29 dat niet iedereen apostel, profeet of leraar is. Sommige gelovigen hebben juist de gave om te luisteren, anderen om te helpen, te bemoedigen of praktisch te ondersteunen. Wat belangrijk is: alle gaven komen van de Geest van God, niet van mensen die jou een taak geven of je een cursus laten volgen.

In 1 Korinthe 12:4-6 staat dat er verschillende gaven, bedieningen en werkingen zijn, maar dat ze allemaal komen van dezelfde Geest, dezelfde Heer en dezelfde God, die alles in iedereen werkt.

God geeft iedereen een unieke plek. Samen vormen we één levend lichaam.


16 augustus

We lezen vandaag: Efeze 5:22-33

Efeze 5:23
want de man is hoofd van de vrouw, zoals ook Christus Hoofd van de gemeente is; en Hij is de Behouder van het lichaam.

In Éfeze 5 lezen we vandaag over de liefde die Christus heeft voor Zijn Gemeente. Als Christus het Hoofd is van de Gemeente, dan zorgt Hij natuurlijk goed voor haar. De Gemeente is immers Zijn Lichaam, dat hebben we al eerder gezien.

Voor ons is het soms lastig om te begrijpen hoe de Heer precies voor ons zorgt. Daarom gebruikt God een voorbeeld dat wij wél snappen: het huwelijk tussen man en vrouw. Christus houdt van Zijn Gemeente zoals een man van zijn vrouw hoort te houden.

In Éfeze 5:25 staat dat mannen hun vrouwen moeten liefhebben zoals Christus de Gemeente liefheeft. Hij heeft Zichzelf voor haar “overgegeven”, wat betekent dat Hij Zich helemaal inzet voor haar, net zoals een herder alles doet om zijn schapen te beschermen. Christus is het Hoofd van de Gemeente en zorgt voor haar. Op een lager niveau heeft de man dezelfde taak tegenover zijn vrouw: liefhebben en zorgen. Het betekent niet dat hij haar mag overheersen. Hij is juist verplicht haar lief te hebben zoals hij zijn eigen lichaam liefheeft.

In Éfeze 5:28-29 staat dat mannen hun vrouwen moeten liefhebben zoals hun eigen lichaam. Wie zijn vrouw liefheeft, houdt eigenlijk ook van zichzelf. Niemand haat zijn eigen lichaam; je zorgt ervoor, je voedt het en je onderhoudt het. Zo doet de Heer dat ook met de Gemeente.

Liefde volgens Christus is geen macht, maar zorg en dat maakt echte liefde sterk.


17 augustus

We lezen vandaag: Genesis 2:4-25

Genesis 2:23
Toen zei Adam: Deze is ditmaal been van mijn beenderen, en vlees van mijn vlees! Deze zal mannin genoemd worden, want uit de man is zij genomen.

In Genesis 2:22-23 lezen we dat God uit een rib van Adam een vrouw maakte en haar bij hem bracht. Adam zei toen: “Zij is been van mijn benen en vlees van mijn vlees.” Eva kwam dus letterlijk uit Adam voort.

Misschien denk je: Wat heeft dit te maken met Christus en Zijn Gemeente? Dat gebeurde toch veel later? Eigenlijk alles! In de Bijbel zie je vaak dat dingen uit het Oude Testament later hun betekenis krijgen in het Nieuwe Testament. Dit is daar een duidelijk voorbeeld van.

Adam is namelijk een “type” van Christus, een soort voorafbeelding. In Romeinen 5:14 staat dat Adam een voorbeeld is van Degene die komen zou. En in 1 Korinthe 15:45 staat dat Adam de eerste mens was, maar Christus de “laatste Adam”, die leven geeft door de Geest. Als Adam een beeld is van Christus, dan is Eva een beeld van de Gemeente.

Gisteren lazen we in Éfeze 5:29 dat niemand zijn eigen lichaam haat, maar ervoor zorgt, net zoals de Heer voor de Gemeente zorgt. Adam en Eva kwamen uit één lichaam voort, net zoals de Gemeente uit Christus is voortgekomen. Daarom is de Gemeente niet de bruid van Christus, zoals vaak gedacht wordt. De Gemeente leeft nu al in eenheid met Christus. Een bruid leeft nog niet samen met haar man, maar de Gemeente wél met Christus.

In Genesis 2:24 staat dat man en vrouw één vlees worden. In Éfeze 5:31 wordt dat herhaald, maar Paulus voegt eraan toe dat dit eigenlijk verwijst naar Christus en de Gemeente. Dat is de “grote verborgenheid”: de diepe eenheid tussen Christus en Zijn Gemeente, het Lichaam van Christus.

Echte eenheid begint bij Christus. Wij zijn één omdat we uit Zijn leven voortkomen.


18 augustus

We lezen vandaag: Johannes 13:1-20

Johannes 13:5
Daarna goot Hij water in de waskom en begon de voeten van de discipelen te wassen en af te drogen met de linnen doek die Hij om Zijn middel had.

In Éfeze 5:26-27 lezen we dat Christus Zijn Gemeente reinigt en heiligt. Hij doet dat niet met gewoon water, maar met het “bad van het Woord”. Water is in de Bijbel vaak een beeld van Gods Woord, het “levende Water”. In Johannes 4 kun je lezen hoe Jezus dit uitlegt aan de Samaritaanse vrouw.

Wij leven als gelovigen nog steeds in een wereld waar we makkelijk “vieze voeten” krijgen. Dat betekent dat we nog steeds zonden doen en fouten maken. Daardoor ontstaan “vlekken en rimpels”, dingen die niet passen bij het nieuwe leven dat we van de Heer hebben gekregen. Maar als we Zijn Woord lezen en toepassen, werkt dat reinigend. Het voedt ons nieuwe leven, en daardoor wordt ons oude leven steeds verder afgebroken. Zo verdwijnen die “vlekken en rimpels”.

Door die reiniging worden we ook geheiligd. Geheiligd betekent dat je apart gezet wordt voor God, zodat je Hem kunt dienen. Daarom is het nodig dat de Heer onze “voeten” wast. Zonder reiniging kunnen we niet dichtbij God komen, want Hij kan geen gemeenschap hebben met zonde. Door de voetwassing houdt de Heer ons rein.

In Johannes 13 laat Jezus aan Zijn discipelen zien hoe Hij, ook na Zijn hemelvaart, voor ons zou zorgen. Hij wast hun voeten als voorbeeld. In Johannes 13:5 staat dat Hij water in een bekken goot en de voeten van de discipelen begon te wassen en af te drogen met de doek die Hij om had.

Petrus schrok hiervan en zei dat Jezus hem dan maar helemaal moest wassen. Maar dat was niet nodig: wie opnieuw geboren is, is al één keer volledig gewassen. Alleen de “voeten” moeten steeds opnieuw schoon worden gehouden.

Gods Woord wast je voeten, zodat je elke dag dichter bij Hem kunt leven.


19 augustus

We lezen vandaag: Hebreeën 2:5-18

Hebreeën 2:17
Daarom moest Hij in alles aan Zijn broeders gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en een getrouw Hogepriester zou zijn in de dingen die God betreffen, om de zonden van het volk te verzoenen.

Gisteren lazen we over de voetwassing in Johannes 13. Vandaag gaan we verder, want veel gelovigen vragen zich af: “Jezus is nu in de hemel, maar wat doet Hij daar eigenlijk?” De Heer heeft dat duidelijk willen maken door de voetwassing. Wat Hij daar deed, laat zien wat Zijn taak is als Hogepriester onder het Nieuwe Verbond.

In het Oude Testament ging de hogepriester één keer per jaar het Heilige der heiligen binnen (een beeld van de hemel) om verzoening te doen voor de zonden van het volk. In Hebreeën 9:7 staat dat hij dat deed met bloed, voor zichzelf én voor de zonden van het volk. Dit moest elk jaar opnieuw gebeuren. Maar er was een probleem: hogepriesters stierven. Dan moest er weer een nieuwe komen. Daarom was er behoefte aan een Hogepriester die nooit zou sterven en altijd beschikbaar zou zijn om verzoening te doen.

Die Hogepriester is Christus. Sinds Zijn hemelvaart is Hij in de hemel om verzoening te doen voor onze zonden. In Hebreeën 7:23-25 staat dat er vroeger veel priesters waren omdat ze steeds stierven, maar Christus blijft voor altijd. Zijn priesterschap houdt nooit op. Daarom kan Hij iedereen volledig redden die door Hem tot God gaat. Hij leeft altijd om voor hen te bidden.

De voetwassing laat zien hoe de Heer nu voor ons zorgt. Hij reinigt ons dagelijks, zodat wij met een schoon geweten tot God kunnen gaan. Hij is een barmhartige en trouwe Hogepriester, die ons helpt en voor ons pleit bij God. Dat is Zijn werk in de hemel en dat doet Hij voortdurend.

Jezus leeft voor altijd en Hij gebruikt die eeuwigheid om voor jou te zorgen.


20 augustus

We lezen vandaag: Hebreeën 5:1-10

Hebreeën 5:5
Zo heeft ook Christus Zichzelf niet de eer gegeven om Hogepriester te worden, maar Hij Die tot Hem heeft gesproken: U bent Mijn Zoon, heden heb Ik U verwekt.

Gisteren lazen we dat Christus onze Hogepriester is. Vandaag gaan we daar verder op in, want dit onderwerp is best uitgebreid. Wat heel belangrijk is om te weten: Jezus was nog géén Hogepriester toen Hij aan het kruis stierf. Een hogepriester hoorde namelijk niet te sterven, dat zagen we al in Hebreeën 7:23. Pas bij Zijn opstanding werd Christus aangesteld als Hogepriester voor de gelovigen. Dat staat in Hebreeën 2:10-17. Door Zijn opstanding werd Hij de Eersteling van een nieuwe schepping, de Hogepriester van het Nieuwe Verbond.

In Johannes 3:16 lezen we dat God Zijn Zoon gaf voor de hele wereld. Dat gebeurde één keer, voor iedereen, gelovigen en ongelovigen. Daarna is het aan de mens om te geloven of niet. Behoud heeft te maken met de kruisdood van Jezus: dat is de eenmalige reiniging bij wedergeboorte. Dat legde Jezus ook uit aan Petrus. Maar “vieze voeten” hebben niets te maken met Zijn kruisdood. Vieze voeten gaan over ons dagelijks leven: dingen die we verkeerd doen, waardoor ons geweten zegt: “Dat was niet goed.”

Met vieze voeten kunnen we God niet dienen. Ons geweten moet schoon worden van “dode werken”, zoals de Bijbel dat noemt. Daarom reinigt de Hogepriester ons geweten, zodat we vrij en zonder schuldgevoel God kunnen dienen. In Hebreeën 9:14 staat dat het bloed van Christus ons geweten reinigt, omdat Hij Zichzelf zonder zonde aan God heeft gegeven.

Lees ook Hebreeën 10:21-22. Daar zie je dat Christus niet alleen Hogepriester is, maar ook Middelaar. Dat betekent dat Hij tussen God en gelovigen in staat. Hij bemiddelt, Hij pleit voor ons, Hij helpt ons om dichtbij God te leven.

Christus reinigt je geweten, zodat je elke dag vrij en zonder angst bij God kunt komen.


21 augustus

We lezen vandaag: 1 Petrus 2:1-10

1 Petrus 2:9
Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilig volk, een volk dat God Zich tot Zijn eigendom maakte; opdat u de deugden zou verkondigen van Hem Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht,

In 1 Petrus 2:9 staat dat gelovigen een uitverkoren geslacht zijn: een koninklijk priesterdom, een heilig en bijzonder volk. God heeft ons uit de duisternis geroepen naar Zijn geweldige licht, zodat wij Zijn grootheid bekendmaken.

Gisteren lazen we dat Christus onze Hogepriester en Middelaar is onder het Nieuwe Verbond. Als Hij onze Hogepriester is, dan zijn wij — net als Israël vroeger — een volk van priesters. In het Oude Testament had Israël namelijk een priesterlijke taak. In Exodus 28:1 lees je dat Aäron en zijn zonen moesten dienen als priesters namens het volk. Israël had als eerste het Woord van God ontvangen, en daarom moesten zij dat Woord doorgeven aan andere volken. Dat was hun verantwoordelijkheid.

Maar door het ongeloof van Israël is die priesterlijke taak tijdelijk van hen weggenomen. Hosea 4:6 zegt dat het volk werd vernietigd omdat het geen kennis had; ze hadden Gods Woord verworpen, en daardoor konden ze hun priesterambt niet meer vervullen.

Betekent dit dat Gods werk stopt? Natuurlijk niet. Het gaat gewoon door, maar nu via Christus en de Gemeente. Sinds de opstanding van Christus is de Gemeente verantwoordelijk voor het bewaren en verkondigen van Gods Woord. Daarom maakt Christus ons bekwaam om priesters te zijn onder het Nieuwe Verbond.

In Openbaring 1:6 staat dat Christus ons gemaakt heeft tot koningen en priesters voor God en Zijn Vader. Dat is onze taak: Zijn Woord bewaren, Zijn waarheid delen en Zijn licht laten zien in een wereld die vaak nog in duisternis leeft.

Je bent geroepen om licht te dragen.Een priester in een wereld die het hard nodig heeft.


22 augustus

We lezen vandaag:


23 augustus

We lezen vandaag:


24 augustus

We lezen vandaag:


25 augustus

We lezen vandaag:


26 augustus

We lezen vandaag:


27 augustus

We lezen vandaag:


28 augustus

We lezen vandaag:


29 augustus

We lezen vandaag:


30 augustus

We lezen vandaag:


31 augustus

We lezen vandaag: