Reiniging

Reiniging krijgt in de Bijbel veel aandacht. In het Oude Testament gaat het voornamelijk om de uiterlijke reiniging zoals het reinigen van het lichaam en de kleren. Iemand die onrein was moest zich en zijn kleding volgens de reinigingsceremonieën wassen. Volgens de Joden wasten Mozes, Aäron en zijn zonen hun handen en hun voeten als zij de tent der samenkomst betraden en als zij tot het altaar naderden. Ook de katholieken kennen het ritueel van de handwassing tijdens de Heilige Mis. Met name in het boek Leviticus wordt aandacht besteed aan de uiterlijke reiniging.

De innerlijke reiniging in de vorm van de reiniging van zonden, speelt op sommige plaatsen in het Oude Testament een rol. Zo bidt Koning David na zijn overspel met Bathseba in Psalm 51 of God hem wil reinigen van zijn zonde. De relatie van David met Bathseba begon doordat David vanaf het dak van zijn koningshuis haar zag baden. Toch ligt juist in het Nieuwe Testament de nadruk duidelijk meer op de innerlijke reiniging van zonden dan op de uiterlijke reiniging. Centraal daarin staat de tekst uit 1 Johannes 1 vers 7. (…) en het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.

Hiermee is er een parallel tussen de verzoenings- en reinigingsoffers die gebracht werden volgens Leviticus, en het offer van Jezus als Christus aan het kruis. Deze parallel wordt uitgewerkt in Hebreeën 9.

In Titus 3:5 Noemt Paulus de wedergeboorte het ‘bad der wedergeboorte’. Hiermee wordt ook het ritueel van de wedergeboorte, de doop, gekoppeld aan de reiniging van zonden.

Dat de innerlijke reiniging belangrijker is dan de uiterlijke reiniging, blijkt tijdens één van de confrontaties tussen Jezus en de Farizeeën. Zij nemen het Hem kwalijk dat Jezus’ discipelen met ongewassen handen eten. Jezus zegt dan in Matthéüs 15:19 en 20 welke handelingen volgens hem de mens onrein maakt en geeft een opsomming innerlijke zaken.


Zoekterm

Reinigen, Wassen, Baden, Zuiveren


Vertalingen

Engels: cleanse

Duits: reinigen

Hebreeuws: טָהֵר

Grieks: καθαρίζω


Betekenis

van Dale

  1. schoonmaken
  2. (figuurlijk) (mbt. personen) door rituele handelingen bevrijden uit een toestand van onreinheid (in godsdienstig opzicht). Bevrijden van zonde en schuld. Synoniem: zuiveren.
  3. (techniek) (mbt. stoffen) ontdoen van ermee vermengde stoffen, in zuivere toestand brengen. Synoniem: klaren
  4. (figuurlijk) zuiveren. De taal, de zeden reinigen. Vrijmaken van ongewenste elementen.

Strong  (via The Word)

H2891 טָהֵר taher (taw-hare’) v.

  1. (properly) to be bright.
  2. (by implication) to be pure (physically or morally sound, clear, unadulterated).
  3. (causative) to make pure, to purify.
  4. (Levitically) uncontaminated.
  5. (by implication, morally) innocent or holy.

KJV: be (make, make self, pronounce) clean, cleanse (self), purge, purify(-ier, self).

G2511 καθαρίζω katharizo (ka-tha-riy’-zō) v.

  1. to purify, to make pure.
  2. to purge.
    {literally or figuratively}

KJV: (make) clean(-se), purge, purify
Root(s): G2513
Compare: G2508, G1571
See also: G2512, G1245


Typologie

Met reiniging wordt in de Bijbel meestal het vergeven (afwassen) van zonden bedoeld. Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid (1 Johannes 1:9).

[sc_embed_player fileurl=”https://joh1v1.nl/datacenter/Gesproken/NietBeschikbaar.mp3″]

(Psalmen 51:7) (51:9) Ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn; was mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw.

(1 Johannes 1:7) Maar indien wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, zo hebben wij gemeenschap met elkander, en het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.

(Titus 3:5) Heeft Hij ons zalig gemaakt, niet uit de werken der rechtvaardigheid, die wij gedaan hadden, maar naar Zijn barmhartigheid, door het bad der wedergeboorte en vernieuwing des Heiligen Geestes;

(Matthéüs 15:19) Want uit het hart komen voort boze bedenkingen, doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valse getuigenissen, lasteringen.

(Matthéüs 15:20) Deze dingen zijn het, die den mens ontreinigen; maar het eten met ongewassen handen ontreinigt den mens niet.


Bijbelverzen

Reinigen komt in 39 bijbelverzen voor:

(Leviticus 14:4) Zo zal de priester gebieden, dat men voor hem, die te reinigen zal zijn, twee levende reine vogelen neme, mitsgaders cederenhout, en scharlaken, en hysop.

(Leviticus 14:7) En hij zal over hem, die van de melaatsheid te reinigen is, zevenmaal sprengen; daarna zal hij hem rein verklaren, en den levenden vogel in het open veld vliegen laten.

(Leviticus 14:8) Die nu te reinigen is, zal zijn klederen wassen, en al zijn haar afscheren, en zich in het water afwassen, zo zal hij rein zijn; daarna zal hij in het leger komen, maar zal buiten zijn tent zeven dagen blijven.

(Leviticus 14:11) De priester nu, die de reiniging doet, zal den man, die te reinigen is, en die dingen, stellen voor het aangezicht des HEEREN, aan de deur van de tent der samenkomst.

(Leviticus 14:14) En de priester zal van het bloed des schuldoffers nemen, hetwelk de priester doen zal op het lapje van het rechteroor desgenen, die te reinigen is, en op den duim zijner rechterhand, en op den groten teen zijns rechtervoets.

(Leviticus 14:17) En van het overige van die olie, die in zijn hand zal zijn, zal de priester doen op het lapje van het rechteroor desgenen, die te reinigen is, en op den duim zijner rechterhand, en op den groten teen zijns rechtervoets, boven op het bloed des schuldoffers.

(Leviticus 14:18) Dat nog overgebleven zal zijn van die olie, die in de hand des priesters geweest is, zal hij doen op het hoofd desgenen, die te reinigen is; zo zal de priester over hem verzoening doen voor het aangezicht des HEEREN.

(Leviticus 14:19) De priester zal ook het zondoffer bereiden, en voor hem, die van zijn onreinigheid te reinigen is, verzoening doen; en daarna zal hij het brandoffer slachten.

(Leviticus 14:25) Daarna zal hij het lam des schuldoffers slachten, en de priester zal van het bloed des schuldoffers nemen, en doen op het rechteroorlapje desgenen, die te reinigen is, en op den duim zijner rechterhand, en op den groten teen zijns rechtervoets.

(Leviticus 14:28) En de priester zal van de olie, die op zijn hand is, doen aan het lapje van het rechteroor desgenen, die te reinigen is, en aan den duim zijner rechterhand, en aan den groten teen zijns rechtervoets, op de plaats van het bloed des schuldoffers.

(Leviticus 14:29) En het overgeblevene van de olie, die in de hand des priesters is, zal hij doen op het hoofd desgenen, die te reinigen is, om de verzoening voor hem te doen, voor het aangezicht des HEEREN.

(Leviticus 14:31) Van hetgeen zijn hand bereikt zal hebben, zal het een ten zondoffer, en het een ten brandoffer zijn, boven het spijsoffer; zo zal de priester voor hem, die te reinigen is, verzoening doen voor het aangezicht des HEEREN.

(Leviticus 16:19) En hij zal daarop van dat bloed met zijn vinger zevenmaal sprengen, en hij zal dat reinigen en heiligen van de onreinigheden der kinderen Israëls.

(Leviticus 16:30) Want op dien dag zal hij voor u verzoening doen, om u te reinigen; van al uw zonden zult gij voor het aangezicht des HEEREN gereinigd worden.

(Numeri 8:7) En aldus zult gij hun doen, om hen te reinigen: spreng op hen water der ontzondiging; en zij zullen het scheermes over hun ganse vlees doen gaan, en zij zullen hun klederen wassen, en zich reinigen.

(Numeri 8:15) En daarna zullen de Levieten inkomen, om de tent der samenkomst te bedienen; en gij zult hen reinigen, en zult hen ten beweegoffer bewegen.

(Numeri 8:21) En de Levieten ontzondigden zich, en wiesen hun klederen, en Aäron bewoog hen ten beweegoffer voor het aangezicht des HEEREN; en Aäron deed verzoening over hen, om hen te reinigen.

(2 Kronieken 29:15) En zij verzamelden hun broederen, en heiligden zich, en kwamen, naar het gebod des konings, door de woorden des HEEREN, om het huis des HEEREN te reinigen.

(2 Kronieken 29:16) Maar de priesteren gingen binnen in het huis des HEEREN, om dat te reinigen, en zij brachten uit in het voorhof van het huis des HEEREN al de onreinigheid, die zij in den tempel des HEEREN vonden; en de Levieten namen ze op, om naar buiten uit te brengen, in de beek Kidron.

(2 Kronieken 34:3) Want in het achtste jaar zijner regering, toen hij nog een jongeling was, begon hij den God zijns vaders Davids te zoeken; en in het twaalfde jaar begon hij Juda en Jeruzalem van de hoogten en de bossen, en de gesneden en de gegoten beelden te reinigen.

(Nehémia 13:22) Voorts zeide ik tot de Levieten, dat zij zich zouden reinigen, en de poorten komen wachten, om den sabbatdag te heiligen. Gedenk mijner ook in dezen, mijn God! en verschoon mij naar de veelheid Uwer goedertierenheid.

(Jesaja 66:17) Die zichzelven heiligen, en zichzelven reinigen in de hoven, achter een in het midden derzelve, die zwijnenvlees eten, en verfoeisel, en muizen; te zamen zullen zij verteerd worden, spreekt de HEERE.

(Jeremía 33:8) En Ik zal hen reinigen van al hun ongerechtigheid, met dewelke zij tegen Mij gezondigd hebben; en Ik zal vergeven al hun ongerechtigheden, met dewelke zij tegen Mij gezondigd en met dewelke zij tegen Mij overtreden hebben.

(Ezechiël 36:25) Dan zal Ik rein water op u sprengen, en gij zult rein worden; van al uw onreinigheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen.

(Ezechiël 36:33) Alzo zegt de Heere HEERE: Ten dage, als Ik u reinigen zal van al uw ongerechtigheden, dan zal Ik de steden doen bewonen, en de eenzame plaatsen zullen bebouwd worden.

(Ezechiël 37:23) En zij zullen zich niet meer verontreinigen met hun drekgoden, en met hun verfoeiselen, en met al hun overtredingen; en Ik zal ze verlossen uit al hun woonplaatsen, in dewelke zij gezondigd hebben, en zal ze reinigen; zo zullen zij Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn.

(Ezechiël 39:12) Het huis Israëls nu zal hen begraven, om het land te reinigen, zeven maanden lang.

(Ezechiël 39:14) Ook zullen zij mannen uitscheiden, die gestadig door het land doorgaan, en doodgravers met de doorgangers, om te begraven degenen, die op den aardbodem zijn overgelaten, om dien te reinigen; ten einde van zeven maanden zullen zij onderzoek doen.

(Ezechiël 39:16) Ook zo zal de naam der stad Hamóna zijn. Alzo zullen zij het land reinigen.

(Ezechiël 43:26) Zeven dagen zullen zij het altaar verzoenen, en het reinigen, en zijn handen vullen.

(Daniël 11:35) En van de leraars zullen er sommigen vallen, om hen te louteren en te reinigen, en wit te maken, tot den tijd van het einde toe; want het zal nog zijn voor een bestemden tijd.

(Joël 3:21) En Ik zal hunlieder bloed reinigen, dat Ik niet gereinigd had; en de HEERE zal wonen op Sion.

(Maleáchi 3:3) En Hij zal zitten, louterende, en het zilver reinigende, en Hij zal de kinderen van Levi reinigen, en Hij zal ze doorlouteren als goud, en als zilver; dan zullen zij den HEERE spijsoffer toebrengen in gerechtigheid.

(Matthéüs 8:2) En ziet, een melaatse kwam, en aanbad Hem, zeggende: Heere! indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.

(Markus 1:40) En tot Hem kwam een melaatse, biddende Hem, en vallende voor Hem op de knieën, en tot Hem zeggende: Indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.

(Lukas 5:12) En het geschiedde, als Hij in een dier steden was, ziet, er was een man vol melaatsheid; en Jezus ziende, viel hij op het aangezicht, en bad Hem, zeggende: Heere! zo Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.

(2 Korinthe 7:1) Dewijl wij dan deze beloften hebben, geliefden, laat ons onszelven reinigen van alle besmetting des vleses en des geestes, voleindigende de heiligmaking in de vreze Gods.

(Titus 2:14) Die Zichzelven voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons zou verlossen van alle ongerechtigheid, en Zichzelven een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken.

(Hebreeën 9:14) Hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door den eeuwigen Geest Zichzelven Gode onstraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken, om den levenden God te dienen?

Wassen komt in 65 bijbelverzen voor.

Baden komt in 23 bijbelverzen voor:

(Leviticus 14:9) En op den zevenden dag zal het geschieden, dat hij al zijn haar zal afscheren, zijn hoofd, en zijn baard, en de wenkbrauwen zijner ogen; ja, al zijn haar zal hij afscheren, en al zijn klederen wassen, en zijn vlees met water baden, zo zal hij rein zijn.

(Leviticus 15:5) Een ieder ook, die zijn leger zal aanroeren, zal zijn klederen wassen, en zich met water baden, en zal onrein zijn tot aan den avond.

(Leviticus 15:6) En die op dat tuig zit, waarop hij, die den vloed heeft, gezeten zal hebben, zal zijn klederen wassen, en zich met water baden, en zal onrein zijn tot aan den avond.

(Leviticus 15:7) En die het vlees desgenen, die den vloed heeft, aanroert, zal zijn klederen wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan den avond.

(Leviticus 15:8) Als ook hij, die den vloed heeft, op een reine zal gespogen hebben, dan zal hij zijn klederen wassen, en zal zich met water baden, en onrein zijn tot aan den avond.

(Leviticus 15:10) En al wie iets aanroert, dat onder hem zal geweest zijn, zal onrein zijn tot aan den avond; en die hetzelve draagt, zal zijn klederen wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan den avond.

(Leviticus 15:11) Daartoe een ieder, wien hij, die den vloed heeft, zal aangeroerd hebben, zonder zijn handen met water gespoeld te hebben, die zal zijn klederen wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan den avond.

(Leviticus 15:13) Als hij nu, die den vloed heeft, van zijn vloed gereinigd zal zijn, zo zal hij tot zijn reiniging zeven dagen voor zich tellen, en zijn klederen wassen, en hij zal zijn vlees met levend water baden, zo zal hij rein zijn.

(Leviticus 15:16) Verder een man, als van hem het zaad des bijliggens zal uitgegaan zijn, die zal zijn ganse vlees met water baden, en onrein zijn tot aan den avond.

(Leviticus 15:18) Mitsgaders de vrouw, als een man met het zaad des bijliggens bij haar gelegen zal hebben; daarom zullen zij zich met water baden, en onrein zijn tot aan den avond.

(Leviticus 15:21) En al wie haar leger aanroert, zal zijn klederen wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan den avond.

(Leviticus 15:22) Ook al wie enig tuig, waarop zij gezeten zal hebben, aanroert, zal zijn klederen wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan den avond.

(Leviticus 15:27) En zo wie die dingen aanroert, zal onrein zijn; daarom zal hij zijn klederen wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan den avond.

(Leviticus 16:4) Hij zal den heiligen linnen rok aandoen, en een linnen onderbroek zal aan zijn vlees zijn, en met een linnen gordel zal hij zich gorden, en met een linnen hoed bedekken; dit zijn heilige klederen; daarom zal hij zijn vlees met water baden, als hij ze zal aandoen.

(Leviticus 16:24) En hij zal zijn vlees in de heilige plaats met water baden, en zijn klederen aandoen; dan zal hij uitgaan, en zijn brandoffer, en het brandoffer des volks bereiden, en voor zich en voor het volk verzoening doen.

(Leviticus 16:26) En die den bok, welke een weggaande bok was, zal uitgelaten hebben, zal zijn klederen wassen, en zijn vlees met water baden; en daarna zal hij in het leger komen.

(Leviticus 16:28) Die nu dezelve verbrandt, zal zijn klederen wassen, en zijn vlees met water baden; en daarna zal hij in het leger komen.

(Leviticus 17:15) En alle ziel onder de inboorlingen of onder de vreemdelingen, die een dood aas of het verscheurde zal gegeten hebben, die zal zijn klederen wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan den avond; daarna zal hij rein zijn.

(Leviticus 22:6) De mens, die dat aangeroerd zal hebben, zal onrein zijn tot aan den avond, en hij zal van die heilige dingen niet eten, maar zal zijn vlees met water baden.

(Numeri 19:7) Dan zal de priester zijn klederen wassen, en zijn vlees met water baden, en daarna in het leger gaan; en de priester zal onrein zijn tot aan den avond.

(Numeri 19:8) Ook die haar verbrand heeft, zal zijn klederen met water wassen, en zijn vlees met water baden, en onrein zijn tot aan den avond.

(Numeri 19:19) En de reine zal den onreine op den derden dag, en op den zevenden dag besprengen; en op den zevenden dag zal hij hem ontzondigen; en hij zal zijn klederen wassen, en zich met water baden, en op den avond rein zijn.

(Deuteronomium 23:11) Maar het zal geschieden, dat hij zich tegen het naken van den avond met water zal baden; en als de zon ondergegaan is, zal hij tot binnen het leger komen.

Zuiveren komt in 5 bijbelverzen voor:

(Éxodus 30:34) Verder zeide de HEERE tot Mozes: Neem tot u welriekende specerijen, mirresap, en oniche, en galban, deze welriekende specerijen, en zuiveren wierook; dat elk bijzonder zij.

(Leviticus 24:7) En op elke rij zult gij zuiveren wierook leggen, welke het brood ten gedenkoffer zal zijn; het is een vuuroffer den HEERE.

(Spreuken 21:8) De weg des mensen is gans verkeerd en vreemd; maar het werk des zuiveren is recht.

(Jesaja 49:2) En Hij heeft Mijn mond gemaakt als een scherp zwaard, onder de schaduw Zijner hand heeft Hij Mij bedekt; en Hij heeft Mij tot een zuiveren pijl gesteld, in Zijn pijlkoker heeft Hij Mij verborgen.

(Jeremía 4:11) Te dier tijd zal tot dit volk en tot Jeruzalem gezegd worden: Een dorre wind van de hoge plaatsen in de woestijn, van den weg der dochter Mijns volks; niet om te wannen, noch om te zuiveren.