Dal

Een dal is een langgerekt laag gebied in het landschap, vaak tussen hoogvlakten, heuvels of bergen. Een dal wordt soms ook wel een vallei genoemd. De meeste dalen zijn ontstaan door de uitspoeling van een beek of een rivier (Deuteronomium 8:7).

Mensen bouwden hier bij voorkeur hun woonplaatsen. Een dal is beter toegankelijk dan de bergen of heuvels en het is vaak een vruchtbare plek, aangezien water het laagste punt zoekt. Het ligt beschut tegen wind en koud. Over het algemeen is ook de temperatuur in het dal hoger dan in de bergen om het dal.

In het Oude Testament worden veel dalen genoemd waar strijd werd gevoerd. Men legerde zich in een dal. In 2 Samuël 5 bijvoorbeeld legerden de Filistijnen om ten strijde te trekken tegen David.

Tussen steile rotsen kan een dal ook juist somber en gevaarlijk zijn. In de Bijbel wordt vaak negatief over een dal gesproken. Psalmen 23 spreekt van een dal van de schaduwen des doods en het dal van ‘Josafat’ ( = De HEER is rechter) is volgens Joël de plaats van het jongste gericht (Joël 3:2 en 12). Het dal van Achor, ten Zuiden van Jericho, is een gruwelijk oord (Jozua 7:26), dat in de toekomst een poort van hoop wordt (Hosea 2:15; vgl. Jesaja 65:9-10).


Zoekterm

Dal, dalen, vallei, valleien


Vertalingen

Engels: valley

Duits: Tal

Hebreeuws: עֵמֶק

Grieks: φάραγξ


Betekenis

van Dale

Dal

  1. inzinking of laagte (m.n. een betrekkelijk langgerekte, smalle) tussen bergen, heuvels of (hoog)vlakten
  2. (figuurlijk) dieptepunt of periode van rust
  3. aarde beschouwd als een dal t.o.v. de hemel. Vergelijk: tranendal.

Vallei

Geleidelijk dalende, vrij uitgestrekte inzinking van de bodem tussen hoogvlakten, bergen of heuvels (waardoor vaak een rivier stroomt). Synoniem: dal.

Strong  (via The Word)

H1237 בִּקעָה biq`ah (bik-aw’) n-f.

  1. (properly) a split.
  2. a wide level valley between mountains.

KJV: plain, valley.
Root(s): H1234

G5327 φάραγξ pharagx (fa’-rangx) n.
a gap or chasm, i.e. ravine (winter-torrent).
[(properly) strengthened from the base of G4008 or rather of G4486]
KJV: valley
Root(s): G4486, G4008


Typologie

Geen duidelijke typologische betekenis bekend.


Bijbelverzen

De woorden dal en dalen komen in 109 Bijbelverzen voor.

De woorden vallei en valleien komen in 19 Bijbelverzen voor:

(Deuteronomium 34:3) En het Zuiden, en het effen veld der vallei van Jericho, de palmstad, tot Zoar toe.

(1 Samuël 17:3) De Filistijnen nu stonden aan een berg aan gene, en de Israëlieten stonden aan een berg aan deze zijde; en de vallei was tussen hen.

(1 Samuël 17:52) Toen maakten zich de mannen van Israël en van Juda op, en juichten, en vervolgden de Filistijnen, tot daar men komt aan de vallei, en tot aan de poorten van Ekron; en de verwonden der Filistijnen vielen op den weg van Saäráïm, en tot aan Gath, en tot aan Ekron.

(Hooglied 6:11) Ik ben tot den notenhof afgegaan om de groene vruchten der vallei te zien; om te zien, of de wijnstok bloeide, de granaatbomen uitbotten.

(Jesaja 28:1) Wee de hovaardige kroon der dronkenen van Efraïm, welker heerlijk sieraad is een afvallende bloem, die daar is op het hoofd der zeer vette vallei, der geslagenen van den wijn.

(Jesaja 28:4) En de afvallende bloem zijns heerlijken sieraads, die op het hoofd der zeer vette vallei is, zal zijn gelijk een vroegrijpe vrucht voor den zomer, welke, wanneer ze iemand ziet, terwijl zij nog in zijn hand is, slokt hij ze op.

(Jesaja 40:4) Alle dalen zullen verhoogd worden, en alle bergen en heuvelen zullen vernederd worden; en wat krom is, dat zal recht, en wat hobbelachtig is, dat zal tot een vallei gemaakt worden.

(Ezechiël 3:22) En de hand des HEEREN was daar op mij, en Hij zeide tot mij: Maak u op, ga uit in de vallei, en Ik zal daar met u spreken.

(Ezechiël 3:23) En ik maakte mij op, en ging uit in de vallei, en ziet, de heerlijkheid des HEEREN stond aldaar, gelijk de heerlijkheid, die ik gezien had bij de rivier Chebar; en ik viel op mijn aangezicht.

(Ezechiël 8:4) En ziet, de heerlijkheid des Gods van Israël was aldaar, naar de gedaante, die ik in de vallei gezien had.

(Ezechiël 37:1) De hand des HEEREN was op mij, en de HEERE voerde mij uit in den geest, en zette mij neder in het midden ener vallei; dezelve nu was vol beenderen.

(Ezechiël 37:2) En Hij deed mij bij dezelve voorbijgaan geheel rondom; en ziet, er waren zeer vele op den grond der vallei; en ziet, zij waren zeer dor.

(Micha 1:6) Daarom zal Ik Samaria stellen tot een steenhoop des velds, tot plantingen eens wijngaards; en Ik zal haar stenen in de vallei storten, en haar fondamenten ontdekken.

(Zacharia 14:4) En Zijn voeten zullen te dien dage staan op den Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, tegen het oosten; en de Olijfberg zal in tweeën gespleten worden naar het oosten, en naar het westen, [zodat] er een zeer grote vallei zal zijn; en de ene helft des bergs zal wijken naar het noorden, en de helft deszelven naar het zuiden.

(Zacharia 14:5) Dan zult gijlieden vlieden [door] de vallei Mijner bergen (want deze vallei der bergen zal reiken tot Azal), en gij zult vlieden, gelijk als gij vloodt voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, den koning van Juda; dan zal de HEERE, mijn God, komen, [en] al de heiligen met U, [o HEERE]!

(Jesaja 24:15) Daarom eert den HEERE in de valleien, in de eilanden der zee den Naam des HEEREN, des Gods van Israël.

(Jesaja 41:18) Ik zal rivieren op de hoge plaatsen openen, en fonteinen in het midden der valleien; Ik zal de woestijn tot een waterpoel zetten, en het dorre land tot watertochten.

(Jesaja 63:14) Gelijk een beest, [dat] afgaat in de valleien, heeft hun de Geest des HEEREN rust gegeven. Alzo hebt Gij Uw volk geleid, opdat Gij U een heerlijken Naam zoudt maken.

(Ezechiël 31:12) En vreemden, de tirannigste der heidenen, roeiden hem uit en verlieten hem; zijn takken vielen op de bergen en in alle valleien, en zijn scheuten werden verbroken bij alle stromen des lands; en alle volken der aarde gingen af uit zijn schaduw, en verlieten hem.

Deel dit artikel op: