04 09

9 april

Volgens Romeinen 8 verwachten wij de verlossing van ons lichaam.
Door het werk der verlossing van Jezus Christus onze Heer, is onze
ziel verlost van zonde en dood en onze geest vernieuwd. Ons lichaam
is echter nog niet verlost. Dit gebeurt pas bij de opstanding.
Inmiddels is ons sterfelijk lichaam wel levend gemaakt door Gods
Geest die in ons woont (Romeinen 8:11), opdat wij in staat zouden
zijn het nieuwe leven, dat God in ons legde, te kunnen leven.
We hebben tenslotte een lichaam nodig om ons te kunnen uiten.
Paulus zegt dan ook in 1 Korinthe 9:27: "Maar ik bedwing mijn
lichaam, en breng het tot dienstbaarheid, opdat ik niet enigszins, daar
ik anderen gepredikt heb, zelf verwerpelijk worde". Hij wil zich
geheel dienstbaar stellen aan het werk dat de Heer hem heeft
opgedragen. Aan dat doel stelt hij zijn lichaam ondergeschikt.
Gods Geest wil ook ons lichaam levend, dat is actief doen zijn, opdat
het geen verhindering voor ons zal zijn om te wandelen zoals Hij dat
van ons vraagt.
Als wij door het geloof in Jezus Christus kinderen Gods zijn
geworden, betekent dat niet, dat wij dan ook een gezond lichaam
zullen hebben of houden.
Ons lichaam is niet verlost en dus nog onderhevig aan ziekte, pijn en
dood.
Voor ons is het echter heerlijk te mogen weten, dat wij in onze Heer
en Heiland zijn en met Hem samen door het leven gaan.
In al hun benauwdheid was Hij benauwd, zegt Gods Woord in Jesaja
63:9. Hij wil de last van ons lijden meedragen. Hij is onze Metgezel
door heel het leven heen. "En wij weten, dat dengenen, die God
liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen,
die naar Zijn voornemen geroepen zijn" (Romeinen 8:28).
Ten goede voor ons in de eeuwige heerlijkheid, waar we de Heer
Jezus gelijkvormig zullen zijn.
Gods Geest komt ons te hulp en bidt voor ons.
Onze Heiland, de opgestane Heer Die ter rechterhand Gods is, bidt
voor ons.
Niets en niemand zal ons ooit kunnen scheiden van Zijn liefde.
Daarom kunnen wij ons altijd verblijden in onze Heiland en Heer,
Die onze hoop is.

Lezen: Romeinen 8:23-34

Deze website maakt gebruik van cookies. Door deze site te blijven gebruiken, accepteert u het gebruik van deze cookies en gaat u akkoord met ons cookiebeleid.  Meer info