2 maart

Het gehele Oude Testament door heeft God de komst van de Messias laten verkondigen. De Messias die op de troon van David zou zitten en heersen over Israël (o.a. Jesaja 9:6, Ezechiël 37:25-28).
De Messias is gekomen in de volheid des tijds, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet (Galaten 4:4). De engel Gabriël zei van Hem tot Maria: “Deze zal groot zijn, en de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden; en God, de Heere, zal Hem den troon van Zijn vader David geven. En Hij zal over het huis Jakobs Koning zijn in der eeuwigheid, en Zijns Koninkrijks zal geen einde zijn” (Lukas 1:32-33).

Hij kwam tot Zijn volk, doch niet als een machtig Vorst, maar in de gestalte van een dienstknecht, zoals Filippensen 2:7 ons dat leert. Hij streed niet tegen de Romeinse overheersing, doch predikte het Koninkrijk der hemelen. Hij leerde het volk de wetten van dat wonderlijke Koninkrijk, die we kunnen lezen in Mattheüs 5-7. Hij genas de zieken, troostte de bedroefden. Hij kwam voor Zijn eigen volk om hun hart terug te brengen tot God.
“Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis Israëls”, zoals Hij zelf zei tot de Kananese vrouw (Mattheüs 15:24). “Want de Heere heeft gezegd: Daarom dat dit volk tot Mij nadert met zijn mond, en zij Mij met hun lippen eren, doch hun hart verre van Mij doen; en hun vreze, waarmede zij Mij vrezen, mensengeboden zijn, die hun geleerd zijn”.
Dit verweet God eeuwen geleden Zijn volk bij monde van de profeet Jesaja (29:13). De Heer Jezus heeft hetzelfde aan de schriftgeleerden en farizeën verweten (Mattheüs 15:7-9). Tegen het einde van Zijn leven moest Hij het uitspreken; “gij hebt niet gewild”. “Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen” (Johannes 1:11).

Zij verwierpen Hem en toen heeft God ingegrepen en de oprichting van het Koninkrijk der hemelen werd uitgesteld. Jeruzalem is verwoest en het volk werd onder de heidenen verstrooid. In de toekomst zal God de draad met Zijn volk weer opnemen en zullen de profetieën aangaande Jezus, hun Messias en Koning, vervuld worden.

Lezen: Lukas 1:30-37