9 januari

In Psalm 49:8-9 lezen we: “Niemand van hen zal zijn broeder immermeer kunnen verlossen; hij zal Gode zijn rantsoen niet kunnen geven; (Want de verlossing hunner ziel is te kostelijk, en zal in eeuwigheid ophouden)”.

De toestand van de mens was dus absoluut hopeloos. Er was en er is in de gehele wereld niet één mens te vinden die volkomen zondeloos, volkomen rechtvaardig is. Niemand die het rechtvaardig oordeel van een heilig God zou kunnen doorstaan. Van menselijke zijde was geen enkele hoop op redding mogelijk.
De Heer Jezus, Gods eigen Zoon, wist dat en reeds vóór dat de wereld geschapen werd, heeft Hij gezegd: “Zie,Ik kom om Uw wil te doen” (Hebreeën 10:5-7). Om dat mogelijk te maken moest Hij mens worden. Om te kunnen lijden en sterven voor de mens moest Hij, God van alle eeuwigheid, vlees en bloed aannemen. Hij de Heilige, de Smetteloze, was alleen in staat Gods oordeel te doorstaan en zo de smet waarmede de zonde Gods heilige Naam had onteerd, ongedaan maken. Hij is volkomen mens geworden en heeft aan al het recht Gods voldaan. Hij alleen kan ons vrijkopen.

Hij betaalde de losprijs met Zijn kostbaar bloed, met Zijn leven.

Lezen: Psalm 49:8-13